Belgische kinderen worden door kerk en school stevigbewaakt

BRUSSEL, 25 aug. Net zomin als er, overeenkomstig het befaamde adagium, Belgen bestaan, zijn er eigenlijk Belgische kinderen. Er zijn wel Vlaamse kinderen, Waalse kinderen en natuurlijk Brusselse kinderen. Die laatsten zijn dan weer te onderscheiden in franstalige Brusselse kinderen, de overgrote meerderheid, en nederlandstalige Brusselse kinderen. Zij allen vormen met elkaar een vrij getrouwe afspiegeling van de gecompliceerde maatschappij die hun ouders met veel moeite en onderlinge twisten hebben opgebouwd, de sinds twee jaar federale staat die we kennen onder de traditionele naam Belgie.

De verzamelnaam 'Belgen' die de buitenwereld gemakshalve hanteert om de bewoners van dat tussen Frankrijk en Nederland ingeklemde koninkrijk aan te duiden kan dus moeilijk worden gebruikt om de kinderen te beschrijven die van die 'Belgen' afstammen: hun opvoeding en jeugd zijn daarvoor te diep doordrongen van de waarden en tradities van de onderscheiden gemeenschappen waarin ze leven.

Goed, Vlaamse, Waalse en Brusselse kinderen dus. Maar waarin onderscheiden die zich van Nederlandse, Franse en andere grote-stadskinderen? Waarschijnlijk in niet veel meer dan hun Vlaamse, Waalse of Brusselse ouders zich onderscheiden van Nederlandse, Franse en andere grote-stadsvolwassenen. Iedere samenleving wordt nu eenmaal gekenmerkt door een aantal vrij constante karakteristieken die voor buitenstaanders eerder te herkennen zijn dan door de deelnemers aan die samenleving zelf. En dan dreigen we al gauw terecht te komen bij de onafzienbare rijen cliche's, generalisaties, vooroordelen, verdachtmakingen en platte grappen die we voor iedere nationaliteit wel klaar hebben liggen, in het bijzonder voor de Belgen.

Op kot

Kinderen in Westeuropese landen vertonen in hun ontwikkeling steeds meer overeenkomsten, net zoals dat met de samenlevingen van hun ouders het geval is. Ze houden van hetzelfde soort televisieseries, groepen samen in hetzelfde soort discotheken, volgen onderwijs dat in grote trekken op dezelfde manier is georganiseerd als elders, hebben hetzelfde soort behoeften. En dat geldt nog sterker voor kinderen in Belgie, die mengkroes van Germaanse en Bourgondische culturen, en voor Brussel, dat niet ten onrechte wordt beschouwd als de hoofdstad van Europa. Belgische kinderen moeten zich daar onwillekeurig van bewust zijn, want ze ervaren dagelijks de aanwezigheid van zeer veel buitenlanders in hun land, niet alleen van de gastarbeiders uit mediterrane landen in de stadscentra, maar ook van de horden keurig gepakte ambtenaren die 's morgens vroeg in hun degelijke limousines de buitenwijken verlaten.

Desondanks is internationale orientatie niet de meest in het oog lopende karakteristiek die je Belgische jongeren kunt toeschrijven. Integendeel, het kinderleven speelt zich in Belgie op drie plaatsen af: in het gezin, op school en in de kerk of de vereniging. Het gezin, en in ruimere zin de familie, vormt daarbij een soort bastion waarop het kind steeds kan terugvallen. Zelfs studenten getroosten zich liever treinreizen van twee uur per dag tussen hun ouderlijk huis en de stad waar ze studeren, dan dat ze in die stad 'op kot' gaan. 'De familiebanden', vertelt de Antwerpse kinderpsychiater Hugo Ruymbeke, 'worden in Belgie veel intensiever onderhouden dan in Nederland. In Belgie tendeert men meer naar het Franse model.' Dat komt vooral op de zondagen tot uitdrukking. Na het bezoek aan de kerk, onmiddellijk gevolgd door een gang naar de banketbakker, vertrekt het Belgische gezin, tot in de puntjes in de kleren gestoken, naar de grootouders, waar een copieus middagmaal wordt genoten. De kinderen spelen wat met hun neefjes en nichtjes, vervelen zich wat of luisteren naar de verhalen van Nonkel Sjef. Dat doe je, vertelt een vriend me, tot je een jaar of zeventien bent, daarna is de morele verplichting wel ongeveer weg.

Kinderpsychiater Ruymbeke, die drie jaar werkzaam is op een medisch-opvoedkundig bureau in Antwerpen, kan de verschillen in opvoeding tussen Nederlandse en Vlaamse kinderen goed beoordelen: voor zijn huidige werkkring heeft hij enige tijd gewerkt op het RIAGG in Dordrecht. 'Belgische kinderen zijn in hun eerste contact met mensen terughoudend, vormelijk. Nederlandse kinderen beschikken over grotere sociale vaardigheden, zijn expressiever, directer. Dat hoeft nog niet brutaler te betekenen, maar bij de opvoeding van Belgische kinderen wordt sterk de nadruk gelegd op aanpassing en eerbied voor de hierarchie. Je ziet dat bijvoorbeeld ook aan de manier waarop in Nederland een vraaggesprek met Lubbers wordt gehouden en waarop Martens door Belgische journalisten wordt bejegend.' De problemen die dokter Ruymbeke in zijn praktijk tegenkomt zijn wel vergelijkbaar met die in Nederland. Veel moeilijkheden komen voort uit echtscheiding, het percentage gedragsproblemen van Vlaamse kinderen ligt, net als in Nederland, op ongeveer dertig. Een opvallend verschil is volgens Ruymbeke wel dat problemen op het gebied van de geestelijke gezondheid van kinderen in Belgie veel moeilijker naar buiten worden gebracht dan in Nederland. 'Hier schaamt men zich daarvoor, men lost de problemen het liefst binnen de familie op.'

Rol moeder

Een van de meest opvallende verschillen tussen Nederlandse en Vlaamse gezinnen is de rol van de moeder. Vlaamse vrouwen met kinderen hebben in veel meer gevallen dan in Nederland een baan buitenshuis. In de periode tussen 1960 en 1985 is het aantal huisvrouwen voortdurend gedaald: was het aandeel van vrouwen boven de 20 jaar die opgaven huisvrouw te zijn in 1960 nog 58 procent, in 1985 was dat gedaald tot 35 procent. Een onderzoek uit het begin van de jaren tachtig wees uit dat meer dan de helft, 55 procent, van de Vlaamse vrouwen in de leeftijd tussen 20 en 44 jaar een betaald beroep had.

Dat betekent dat kinderen kort na hun geboorte moeten worden uitbesteed. Of ze worden verzorgd bij een officieel kinderdagverblijf, georganiseerd door het NWK (Nationaal Werk voor Kinderwelzijn), maar meestal worden ze dagelijks ondergebracht bij een zogeheten 'onthaalmoeder', meestal een huisvrouw die zelf ook kinderen heeft en een of meer kinderen van buitenshuis werkende moeders onder haar hoede neemt. Grote ondernemingen zetten tegenwoordig zelf ook steeds vaker hun eigen 'bedrijfskribbe' op, waardoor de werkende vrouw het tijdrovende wegbrengen van de kinderen kan worden bespaard.

Onthaalmoeders kunnen een aardige meestal zwarte frank erbij verdienen: voor de kleinste kinderen wordt in het algemeen een vergoeding van 400 frank per dag (22 gulden) gevraagd, het verblijf van peuters die nog niet naar school gaan, kost meestal de helft. De bovengenoemde vriend, die een kind bij een onthaalmoeder en een kind in de bedrijfscreche heeft, is daar per maand ongeveer 12.000 frank (660 gulden) aan kwijt. Ook steeds meer scholen adverteren tegenwoordig met de faciliteit van 'voor- en nabewaking': dat wil zeggen dat de kinderen al vanaf zeven uur 's morgens kunnen worden gebracht en om zeven uur 's avonds opgehaald.

Prestaties

Bewaking, orde, discipline, prestaties. Dat zijn de trefwoorden die in het Belgische schoolsysteem nog altijd op de eerste plaats staan. Op veel scholen, en dan het meest op de katholieke scholen, die 70 procent van het totale aantal uitmaken, wordt nog steeds het schooluniform gedragen. 'Over de voor- en nadelen daarvan zijn vaak verhitte discussies', vertelt Ruymbeke. 'Juist omdat de kinderen tegenwoordig zo modebewust zijn, en alleen de duurste merken willen dragen, komt het vaak goed uit dat ze op school een uniform hebben, een voor de zomer en een voor de winter.' Onder de katholieke scholen zijn ook nog de meeste gescheiden scholen te vinden: jongens- en meisjesscholen, waar ook weer voor- en nadelen aan kleven. Als je een Belgische jongen vraagt wat voor schooltype hij het prettigst vindt, gemengd of niet, dan zal hij smalend zeggen dat een jongensschool leuker is 'omdat meisjes altijd zo flauw doen'. Die meisjes klagen vervolgens dat die jongens 'altijd zulke wilde spelletjes doen'. Wanneer de directeur de klas binnenkomt, vertelt de bovengenoemde kinderpsychiater, staan alle kinderen 'recht'. Na het speelkwartier stellen de kinderen zich in kaarsrechte rijen op en marcheren ze de school in. De boekentassen worden op ordelijke wijze op de banken gezet. In de middagpauze wordt op veel Belgische scholen een warme maaltijd geboden, die ook weer in de grootst mogelijke orde moet verlopen: elk kind heeft zijn vaste plaats, en onder het eten mag niet worden gepraat. 'Ik kreeg', herinnert de Gentse kinderpsychologe Mileen Janssens zich, 'tijdens een stage op een lagere school van de directeur zo'n voetbalfluitje uitgereikt, waarmee ik vierhonderd kinderen aan het eind van het speelkwartier naar binnen moest dirigeren. Dat ging natuurlijk helemaal mis, want ik had daar geen ervaring mee.' Belgische kinderen worden van jongs af aan niet alleen gewend aan een strakke discipline in hun gedrag, ook hun leerprestaties staan voortdurend onder controle. Op de lagere school krijgen ze al huiswerk mee en aan het eind van het schooljaar krijgen ze een examen. De cijfers die ze halen, leveren vanzelf een hierarchie op die nauwlettend in de gaten wordt gehouden.

Kerk

De katholieke kerk speelt niet alleen in het Belgische onderwijssysteem een overheersende rol, ook in zijn vrije tijd heeft het kind doorlopend met de kerk te maken: er wordt op toegezien dat het min of meer regelmatig naar de kerk gaat, dat het communie doet, het wordt lid van de katholieke padvinders, het gaat naar een katholieke sportvereniging. Ook al gaat meer dan tweederden van de Belgische katholieken niet meer naar de kerk, hun kinderen doen dat meestal wel, zij het meestal in schoolverband.

Respect voor je meerderen, eerbied voor de hierarchie, aanpassen aan de conventies: komen er misschien toch kleine haarscheurtjes in dat beeld van het Belgische kind? 'O ja, de kinderen veranderden', werd deze week de Brugse kleuterleidster Mie van Leirsberghe in het katholieke blad De Standaard geciteerd. 'Vroeger leken ze braver en bedeesder, vandaag zijn ze veel mondiger.'

Ruim dertig jaar ervaring heeft ze en ze schrijft die verandering vooral toe aan de invloed van de televisie. Daardoor wordt hun gedrag beinvloed, maar ook hun taalgebruik. Vlaamse kinderen kijken, zo bleek uit een onderzoek in 1988, ongeveer evenveel naar de Nederlandse kinderprogramma's als naar Vlaamse. Ze nemen daardoor ook woorden over die hun ouders niet gebruiken. Een woord als leuk is bij de Vlaamse kinderen het woord plezant steeds meer gaan vervangen.

Hetzelfde doet zich voor bij de franstalige Belgische kinderen: die zijn er vaak om zeven uur 's morgens al bij om de tekenfilms op de Franse televisie te gaan bekijken. Tenzij ze natuurlijk naar hun onthaalmoeder moeten worden gebracht...