Reservisten onmisbaar voor Amerikaanse strijdkrachten

NEW YORK, 24 aug. Sinds het einde van de Vietnam-oorlog zijn de Amerikaanse strijdkrachten in toenemende mate gaan leunen op de reservisten, zodanig dat ze nu onmisbaar zijn geworden.

Het Amerikaanse leger is al sinds voor de Eerste Wereldoorlog opgebouwd uit twee lagen: de 'actieve troepen' en de reservisten, in verschillende gradaties van paraatheid. Ze zijn sinds de Tweede Wereldoorlog al tien keer opgeroepen.

De laatste keer was tijdens het Tet-offensief in Vietnam in 1968, en het is die associatie met een impopulaire oorlog die veel commentatoren hier ertoe heeft verleid de beslissing van president Bush om ook nu weer reservisten op te roepen, een riskante te noemen.

President Nixon heeft het nooit aangedurfd, zeggen ze, omdat hij Amerikanen zo min mogelijk wilde herinneren aan hun betrokkenheid in een obscuur werelddeel. Het oproepen van reservisten 'brengt de oorlog thuis, ' heet het hier.

Maar er zijn twee belangrijke verschillen: Amerika staat nog maar aan het begin van de interventie (een oorlog is nog niet) en meer dan driekwart van de Amerikanen steunt het beleid van de president. Bovendien zegt vrijwel iedere Amerikaan te begrijpen wat er op het spel staat: of dat nu de prijs van de benzine is of het opstaan tegen een dictator, het is hen duidelijk waar het om draait. Dat was in Vietnam niet het geval.

Zo bezien is het niet zo erg om de oorlog 'thuis te brengen': het geeft mensen iets om in te geloven. De kiezers hebben geen bezwaar: 79 procent vindt dat de reserves opgeroepen mogen worden, zelfs 76 procent van de leeftijdsgroep 18 tot 34 jaar.

Weinig nagedacht

De vrijwilligers die zich de laatste 22 jaar hebben aangemeld, hebben waarschijnlijk weinig nagedacht over het feit dat ze misschien kunnen worden opgeroepen voor een echte oorlog. Een groot deel heeft zich uit puur idealisme opgegeven, maar hoevelen deden het om hun studie te financieren, om ergens bij te horen, om een zakcentje te verdienen, omdat het goed op je curriculum vitae staat, of om het pensioen? Een reservist die zijn militair inkomen in een studie-spaarpot stort, krijgt voor iedere dollar een dollar van de overheid. Een beperkt aantal officieren krijgt een volledige studiebeurs, in ruil voor een periode reserve-dienst, gemiddeld ongeveer acht jaar. Na twintig jaar part-time dienst heeft een reservist al recht op een pensioen.

Voor iemand als Mark Curiale, een reclametekstenschrijver in New York, betekent dat dat hij al op zijn 38ste kan ophouden om op zijn zestigste te beginnen met het incasseren van maandelijkse pensioenbetalingen. Maar voor hem was dat niet de reden. 'Ik heb me opgegeven op mijn achttiende, vlak voordat ik de middelbare school afmaakte. Ik wist altijd dat ik iets in het leger zou willen doen', zegt de zachtmoedige, bebrilde Curiale. Wilde hij vechten? 'Oh nee, het was het idee om in een georganiseerd geheel iets te kunnen betekenen, ... ik weet het niet, ik heb het nooit begrepen waarom ik het wilde.'

Heeft hij al met zijn vrouw gepraat over de mogelijkheid dat hij ingezet zal worden? 'Nee, maar we weten allebei dat het kan.' Grotere rol Sinds het eind van de Vietnam-oorlog is de rol van de reservisten toegenomen. De dienstplicht werd in 1973 afgeschaft omdat er geen steun meer voor te vinden was; en het 'actieve' gedeelte van het Amerikaanse leger is in 20 jaar van relatieve vrede voortdurend geslonken.

Tegelijkertijd werd het aantal reservisten uitgebreid, voornamelijk omdat ze goedkoper zijn dan soldaten in vaste dienst. Voor sommige politici speelde ook mee dat zij hoopten dat een president minder snel een oorlog zou beginnen als hij wist dat zijn kiezers rechtstreeks geraakt zouden worden.

Het actieve gedeelte van het leger bestaat nu uit 2,1 miljoen manschappen, de reservisten uit 1,63 miljoen waarvan 16 procent vrouwen.

Ieder onderdeel heeft zijn reservistenbestand, maar dat van de landmacht is het grootste: bijna 1,2 miljoen, tegen vaste troepen van 776.000. Dat komt, zeggen militaire deskundigen, omdat de landmacht verreweg de meeste logistieke ondersteuning vergt. Ter vergelijking: de luchtmacht heeft 603.000 vaste manschappen en 128.000 reservisten. De reserve-soldaten en -officieren van de Landmacht vallen uiteen in reserve-soldaten en Nationale Gardisten. De eerste groep verricht vooral ondersteunend werk, de Nationale Garde is overwegend gevechtstroepen.

Nationale Garde

De Nationale Garde staat bovendien in vredestijd onder commando van de de gouverneur van een van de vijftig staten. Daarin verraadt zich de afkomst van de Garde: ze zijn regelrechte afstammelingen van de milities, de vrijwilligerslegers die iedere kolonie al voor de onafhankelijkheid had. 'Het leger vocht tegen de Indianen, terwijl de milities de grote veldslagen van de onafhankelijkheidsoorlog voerden', zegt met een begrijpelijk chauvinisme kapitein Ann Freed, woordvoerder van het 77ste reserve-leger commando. Dat commando, dat hoofdkwartier houdt in Fort Totten, op een schiereiland in de New Yorkse buurt Queens, heeft totaal 14.000 reservisten onder zich uit de staat New York en delen van New Jersey. Het is de grootste groep reservisten in het land.

De doorsnee reservist komt een weekeinde per maand en twee weken in de zomer op voor oefeningen. Hij of zij krijgt daarvoor betaald, van honderd tot enkele honderden dollars per weekeinde. En ze zijn verzekerd tijdens dienstperioden.

Als ze worden opgeroepen worden ze beschermd: ze hebben vier jaar lang recht op een vergelijkbare civiele baan, zelfs als ze invalide terugkeren. Ze mogen bovendien een aanvraag indienen om niet meer dan 6 procent rente te betalen op hun hypotheek, autoleningen, credit cards en andere schulden. Volgens de Wall Street Journal heeft dat nu onder de banken tot grote onrust geleid.