Platen

Van Immerseel Bij het nieuwe Nederlandse label Channel Classics Records zijn de eerste twee cd's verschenen van een serie van negen met alle klavierconcerten van Mozart die in 1991, het 200ste sterfjaar van de componist, compleet verkrijgbaar moet zijn. Jos van Immerseel, pianist, klavecinist en organist, bespeelt een fortepiano (een kopie van Christopher Clarke naar Walter) en leidt het door hemzelf in 1985 opgerichte orkest Anima Eterna. In dat alles werd Van Immerseel voorgegaan door anderen. Pianist Murray Perahia dirigeerde voor CBS zelf het English Chamber Orchestra in alle Mozart-concerten en dirigent John Eliot Gardiner en pianist Malcolm Bilson legden met de English Baroque Soloists voor Archiv het klavierwerk ook al eens vast met authentiek instrumentarium, waaronder ook een kopie van een fortepiano van Walter, bij wie Mozart klant was, deze keer gemaakt door Philip Belt.

Het verschil met Perahia is uiteraard enorm en principieel van aard. Nemen we als voorbeeld het schitterende pianoconcert nr. 9, KV 271, dat de 21-jarige Mozart schreef voor Mlle Jeunehomme. Het beroemde langzame andantino wordt door Perahia op de perfecte Steinway zo prachtig en extreem sfeervol gespeeld, in zulke mild ruisende wazige pasteltinten, dat het eigenlijk bijna te erg is.

De pianofortes van Bilson en Van Immerseel, nog maar net ontgroeid aan het tokkelende klavecimbel, zijn met hun simpele mechaniek en hun directere aanslag veel minder gemakkelijk te bespelen en dwingen tot veel geprononceerder voorslagen, andere fraseringen en duidelijker accentueringen. Mozart klinkt niet alleen anders maar wordt ook automatisch anders.

Al verschillen de opvattingen van de 'authentieke' opnamen niet wezenlijk, in vergelijking met Gardiner en Bilson lijkt Van Immerseel zelfs nog iets 'authentieker'. Vooral in de snellere delen is de klankkarakteristiek van Anima Eterna wat ruiger, weerbarstiger of enigszins hariger dan van de English Baroque Soloists, die hun instrumenten met zoveel gemak bespelen dat ze soms ietwat 'modern' lijken: bijna een vloek in de kerk!En ook de pianoforte van Van Immerseel heeft een kleurrijker klank, in de discant wat tinkelender. Bij Bilson en Van Immerseel heeft het andantino een veel dramatischer lading dan bij Perahia, die zwelgt in genot, en lijkt soms al vooruit te lopen op Don Giovanni. Van Immerseel doet het andantino zuchtend en steunend beginnen, bijna elke pianonoot is een individueel gebeurtenisje en in de cadens komt hij soms tot een tergende spanning: zal die volgende noot wel komen? Gelukkig wordt hij daartoe gedwongen door Mozart.

Klavierconcerten 8, 28 en 12 van Mozart: Channel CCS 0690. Klavierconcerten 5 en 9: Channel CCS 0509

Minkowski

De 28-jarige Marc Minkowski heeft binnen enkele jaren zijn naam gevestigd als specialist van 'oude muziek'. Sinds 1982 is hij dirigent van Les Musiciens du Louvre, waarmee hij ook in Utrecht tijdens het Festival Oude Muziek optreedt. In amper twee jaar tijd heeft Minkowski met vocale solisten als Isabelle Poulenard, Agnes Mellon, Jennifer Smith, Nathalie Stutzmann, Bernard Deletre en Gilles Ragon, vijf produkties met muziek van Lully, Charpentier, Rameau en Handel opgenomen en daarnaast cd's met instrumentale muziek van Mehul en Mozart.

Minkowski studeerde fagot in Den Haag aan het Koninklijk Conservatorium, leerde in de Verenigde Staten dirigeren en speelde in de Chapelle Royale van Philippe Herreweghe en Les Arts Florissants van William Christie. Geen wonder dat hij met Les Musiciens du Louvre een werkelijk kostelijke cd heeft gemaakt met delen uit de Comedies-ballets van Lully en Moliere. De bonte afwisseling van lolbroekerij en verfijnde knipogen die beide heren voor Lodewijk XIV hadden bedacht, is door Minkowski en de zijnen volmaakt aangevoeld. (Erato 2292-45286-2)Smaakvol is de muziek die Marc-Antoine Charpentier in 1673 voor Moliere's Le malade imaginaire schreef: een afwisseling van opulente instrumentale tussenspelen, rijkversierde aria's en vocale ensembles. Niet minder indrukwekkend is de levendige en fijnzinnige aanpak van Minkowski (Erato 245.002-2).

Dit geldt evenzeer voor de instrumentale muziek van Rameau's Les Surprises de l'Amour (Erato 245.004-2) en voor Platee van Rameau (Erato 2292-45028-2). Platee is een virtuoos en onderhoudend 'ballet bouffon' dat voor het eerst in 1745 in Versailles voor de Franse koning werd opgevoerd. Rameau excelleert hier in de vernuftige zetting van de tekst, in de behandeling van de stemmen en vooral van het instrumentale ensemble. Een van de mooiste voorbeelden hiervan is de scene waarin Jupiter zich in allerhande dieren verandert en Platee daarop samen met het orkest reageert.

Verrassend is ook de eerste opname van het oratorium Il trionfo del tempi e del disinganno uit 1707 van de toen 22-jarige Handel, die met deze melodieuze en verfijnde muziek in Italie zijn naam vestigde. Minkowski en zijn musici laten vijfentwintig aria's lang geen nuance onbenut.

Les Musiciens du Louvre hebben een geheel eigen klank: een slanke, doorzichtige en stralende de strijkersgroep is slank, doorzichtig en stralend, de virtuoze, haarzuivere blazers hebben een ontspannen en bijzonder natuurlijke manier van spelen. Dat laatste is ongetwijfeld voor rekening van Marc Minkowski en blijkt eveneneens uit de meesterlijke uitvoering van de Harmoniemusik die Joseph Triebensee van Mozarts Don Giovanni gemaakt heeft. Zo spiritueel en natuurlijk hoort men deze muziek zelden! Erato 2292-45473-2.

The Sixteen

Thomas Tallis (1505-1585), de vader van de Engelse 'cathedral music', is ook de componist van dat curieuze werk Spem in alium voor liefst veertig stemmen, verdeeld in acht koren van vijf, waarbij John Bull (1562-1628) nog eens veertig stemmen ter aanvulling componeerde.

Spem in alium met ruimtelijke effecten en veel contrapunt-hoogstandjes ontstond als antwoord op de uitdaging van een Engelse aristocraat een even goed lied te componeren als Ecce beatam leucem van Striggio. Spem in alium is daaraan zeker superieur. Het begint met een sectie voor twintig successievelijk intredende stemmen, steeds met hetzelfde thema. De overige twintig introduceren een nieuw gegeven. Vervolgens zingen alle veertig stemmen. Opnieuw verschijnt een nieuw thema, nu geimiteerd in 28 partijen, en tot slot komen alle veertig weer bijeen voor een machtig klankblok.

Niet alleen de absolute beheersing van het contrapunt is sterk, maar vooral ook de zangerigheid van de afzonderlijke partijen. Het zijn geen abstracte lijnen, maar echte zangstemmen die de cadans van het woord respecteren, ideaal voor The Sixteen Choir. Maar evenmin als bij een recente opname door het Winchester Cathedral Choir and Quiristers (Hyperion), eveneens gekoppeld aan Tallis' The lamentations of Jeremiah, blijkt een veertigstemmig koor geschikt voor een plaat. Zoiets moet men ondergaan in een grootse kathedrale ruimte.

Al ontbreekt in de klaagzangen de kristalheldere precisie van het Hilliard Ensemble, toch heb ik veel bewondering voor de voortreffelijk gecoordineerde, virtuoze en toegewijde uitvoeringen van The Sixteen.

Thomas Tallis: Sacred choral works. The Sixteen Choir o.l.v. Harry Christophers. Chandos CHAN 0513.