Omstreden jubilaris

GEHEEL IN DE voor het instituut kenmerkende stijl herdenkt de Eerste Kamer deze week haar 175-jarig bestaan. Sober, ingetogen, maar wel op niveau. Een congres, een symposium en ten slotte vandaag nog een feestelijke bijeenkomst in de Ridderzaal in het bijzijn van de koningin. Bij dit soort gelegenheden maakt zich altijd een vorm van masochisme meester van de senatoren. Want telkens gaat het om die ene vraag: is er in ons staatsbestel eigenlijk wel plaats voor de Eerste Kamer? Dat was al zo bij de oprichting in 1815, toen de voor hun leven door de Koning benoemde leden door anderen spottend werden bejegend als behorend tot de 'menagerie du roi', en dat is in dit jubileumjaar nog steeds zo, getuige de aanvaring die de Eerste Kamer in januari had met premier Lubbers over de bevoegdheden.

De posities in de discussie over het bestaansrecht van de Eerste Kamer willen nog wel eens wisselen. Zo schreef bijvoorbeeld de PvdA in het verkiezingsprogramma van 1986 nog dat de Eerste Kamer moest worden opgeheven. Maar toen vorig jaar het verkiezingsprogramma werd opgesteld wees het partijbestuur alle wijzigingsvoorstellen die deze richting opgingen van de hand. De zaak moest eerst nog maar eens worden bestudeerd. En ook D66, de partij die indertijd het opheffen van de Eerste Kamer als prominent punt in haar programma opnam, laat zich tegenwoordig veel minder resoluut uit. DE HERBEZINNING op eerder ingenomen standpunten over de positie van de Eerste Kamer is niet verwonderlijk in een tijd dat aan de 'overzijde' van het Binnenhof het dualisme tussen Kamer en regering steeds verder te zoeken is. De strakke regeerakkoorden van de jaren tachtig hebben de Eerste Kamer weer een meer eigen, zelfstandige rol gegeven. De functie van de Senaat als schild tegen de 'waan van de dag' die de Tweede Kamer nogal eens wilde beheersen, kon zich zodoende uitbreiden tot bescherming tegen de waan van het regeerakkoord. Maar veelal is het toch bij waarschuwende woorden aan het adres van de regering gebleven.

Hoe vaak is het de afgelopen jaren niet voorgekomen dat de Eerste Kamer een door haar fel bekritiseerd wetsvoorstel na lang wikken en wegen, dat wel, en 'met pijn in het hart' toch aannam. Bewezen de senatoren hiermee in feite niet net zo politiek te opereren als hun collega's uit de Tweede Kamer? De gang van zaken in 1987 rond de omstreden Harmonisatiewet waarbij de toenmalige minister van onderwijs, Deetman, achter de schermen met aftreden dreigde om de bevriende regeringsfracties op andere gedachten te brengen, mag wat dit betreft in herinnering worden geroepen.

Ook recentelijk is de Senaat weer met een wetsvoorstel akkoord gegaan waartegen hij aanvankelijk grote bezwaren koesterde. De plannen van het kabinet voor het beperken van het reiskostenforfait met al hun in de wet vastgelegde malligheden (opsparen van anonieme strippenkaarten, voor de busreiziger wel aftrek maar voor de fietser niet) konden het Staatsblad halen doordat niet de hele CDA-fractie tegenstemde. Terwijl dit toch bij uitstek een voorstel was waarbij de door de Eerste Kamer hoog te houden elementen als rechtszekerheid en rechtsgelijkheid in het geding waren.

Hoe politieker de niet rechtstreeks gekozen leden van de Eerste Kamer opereren, hoe discutabeler de positie van de Senaat wordt. Waar behoefte aan is, is een orgaan waar wetsvoorstellen na behandeling in de Tweede Kamer, in hun vaak geamendeerde vorm, nog eens in tweede lezing en los van alle politieke commotie worden bekeken. De vraag is of dat de Eerste Kamer moet zijn. Gezien de politieke samenstelling van de Senaat kunnen wetsvoorstellen niet waardevrij worden bekeken en de praktijk heeft dat ook bewezen.

Daarnaast doet zich nog een ander probleem voor waarop de staatsrechtgeleerde professor Kranenburg (die zelf lid van de Eerste Kamer was) indertijd in zijn standaardwerk over het Nederlandse staatsrecht heeft gewezen. Hij noemde het een 'eigenaardige anomalie' dat de gespecialiseerde kennis en ervaring welke de verdienste van de meeste der Eerste-Kamerleden vormt niet tot volledige gelding komt 'in de functionering der Kamer zelve', omdat zij niet de mogelijkheid heeft tot een technische verbetering van de wetsontwerpen.

WELLICHT LIGT HIER de oplossing voor de vaak dubbelzinnige positie waarin de Eerste Kamer verkeert. In de commissie-Deetman, die de mogelijkheden voor staatsrechtelijke vernieuwing onderzoekt, wordt momenteel het 'terugzendingsrecht' van de Eerste Kamer bekeken. De Eerste Kamer hoeft een wetsvoorstel waartegen zij onoverkomelijke bezwaren heeft dan niet te verwerpen, maar kan het terugzenden naar de Tweede Kamer met het verzoek te amenderen. Voorwaarde is dan wel dat de Eerste Kamer hiermee afstand doet van het recht het wetsvoorstel uiteindelijk toch te verwerpen, anders zou de procedure alleen maar tot vertraging leiden. Het voordeel van deze constructie is dat het politieke primaat weer bij de Tweede Kamer komt te liggen. De Eerste Kamer is dan haar ultieme machtsmiddel kwijt. Dat schept verplichtingen voor de Tweede Kamer. In deze 'afgeslankte vorm', waarbij de Eerste Kamer nog iets heeft van een strohalmfunctie, mag de jarige van vandaag ook nog een volgend jubileum vieren.