Jubileumuitgave van het Prins Bernhard Fonds; Paardenrennenvoor de cultuur

Deze maand is het vijftig jaar geleden dat in Londen het Prins Bernhard Fonds werd opgericht. Wat begon als een fonds voor de aanschaf van Spitfires, is in een halve eeuw uitgegroeid tot een van de grootste particuliere financiers van kunst en cultuur in Nederland. Onlangs verscheen over het Fonds een jubileumboek, de geschiedenis van een antiparlementair buitenbeentje. Veel culturele activiteiten worden voornamelijk door de gebruikers betaald. Bij andere activiteiten springt de overheid nog wel eens bij. Er zijn echter ook culturele uitingen die mogelijk worden gemaakt door bijdragen van wat wordt aangeduid als het maatschappelijk middenveld: het particulier initiatief. Hieronder vallen particuliere organisaties, mecenassen, commerciele sponsors en vrijwilligers.

Een van de belangrijkste organisaties uit dit zogeheten middenveld is op dit moment het Prins Bernhard Fonds, een instelling die deze maand haar vijftigjarig bestaan viert. Van de 19 miljoen gulden die dit fonds jaarlijks uitgeeft aan wetenschap, kunst, monumentenzorg en natuurbehoud is geen cent rechtstreeks uit de schatkist afkomstig. Alle activiteiten worden bekostigd uit particuliere en semi-particuliere bronnen. Een klein deel, ongeveer 1 miljoen, komt uit de bekende Anjer-collecties, uit giften en nalatenschappen. De rest is afkomstig uit de opbrengsten van de Voetbaltoto en de Algemene Loterij Nederland, activiteiten die weliswaar door de overheid worden gereguleerd en gecontroleerd, maar die traditioneel worden gerekend tot de particuliere sector.

Ook de werkwijze van het fonds is een particuliere aangelegenheid. Over de besteding van de binnengekomen gelden heeft de overheid niets te zeggen. Het bestuur heeft het laatste woord, en dat wordt samengesteld door middel van cooptatie. Wanneer bij het Prins Bernhard Fonds een bestuurslid vertrekt, bepalen de overgebleven leden zelf wie zijn plaats mag innemen. Niemand van buiten heeft daar iets over te zeggen. Er is ook niemand die vanwege zijn positie recht heeft op zo'n bestuurszetel.

Het spreekt vanzelf dat een dergelijke non-gouvernementele instelling ook zijn schaduwzijden heeft. Wie het niet eens is met een beslissing kan daar weinig tegen ondernemen. Wanneer bepaalde instellingen systematisch worden bevoordeeld, is daar weinig aan te doen. De laatste tijd wordt er bijvoorbeeld nogal eens geklaagd dat vrijwel alle subsidies voor boekuitgaven bij De Walburgpers terecht komen. Maar dat is eigen aan het systeem. Het bestuur verdeelt als een klassieke mecenas de gelden.

Constanten

Wie zich verdiept in de veelbewogen geschiedenis van het Prins Bernhard Fonds, zoals die nu door de historici Jaap Verheul en Joost Dankers in een fraai jubileumboek is vastgelegd, komt tot de ontdekking dat er in de loop van de afgelopen vijftig jaar eigenlijk twee constanten zijn aan te wijzen. In de eerste plaats is er de steeds terugkerende rol van Prins Bernhard, de oprichter, regent en beschermheer van het fonds. In de tweede plaats is er door de gehele vijftigjarige geschiedenis heen een enigszins antiparlementaire en soms zelfs ondemocratische houding bij het Fonds te bespeuren. Men pleegt niet veel aandacht te besteden aan regeltjes en richtlijnen. In tegendeel. Het Fonds hecht aan vrijheid. Men is alert tegen het ontstaan van automatismen. En er moet een minimum aan bureaucratie zijn. Nog altijd werken op het centrale bureau van het Fonds weinig mensen. Alle kracht moet komen van de wijsheid, of zo men wil willekeur, van het moment.

Geen van deze beide kenmerken is bij nader inzien erg vanzelfsprekend. Het wonderlijkste is natuurlijk dat een instelling die inmiddels is uitgegroeid tot Nederlands grootste liefdadigheidsfonds, nog altijd de naam draagt van een personage dat sinds de Lockheed-affaire nationaal en internationaal met corruptie en steekpenningen wordt geassocieerd. Ik kan me voorstellen dat zoiets bijzonder lastig is voor de honderden vrijwilligers die elk jaar bij weer en wind met hun collectebussen de straat op moeten. Al even merkwaardig is de vrijgevochten, antipolitieke houding die het Fonds steeds weer tentoonspreidt. Weliswaar is dit een houding die aansluit bij de opvattingen die de regent regelmatig heeft laten horen. Maar in de besturen van het Fonds zitten, in ieder geval sinds de jaren veertig, voor een groot deel mensen die hun brood verdienen bij de overheid. Uit de lijsten die achter in het jubileumboek zijn opgenomen blijkt bijvoorbeeld dat op dit moment verschillende Commissarissen van de Koningin in het bestuur actief zijn, de gesubsidieerde en wetenschappelijke sector is ruimschoots vertegenwoordigd, en er zitten ook enkele ambtenaren in het bestuur.

Basis

Uit een jubileumboek dat werd geschreven door de historici Jaap Verheul en Joost Dankers wordt duidelijk dat de basis voor deze zeg maar gerust antiparlementaire traditie direct bij de oprichting te vinden is, op 10 augustus 1940. Het Prins Bernhard Fonds is als anti-regeringsfonds begonnen. In augustus 1940 werd het opgericht tegen de wens van de uitgeweken Nederlandse regering in ballingschap, als een fonds voor de aanschaf van Spitfires voor de Engelse luchtmacht.

Na de Duitse inval in Nederland waren er in de Nederlandse kolonien nogal wat particulieren en bedrijven die iets voor hun bezette landgenoten wilden doen, maar over de besteding van de binnengekomen gelden heerste verschil van mening. De Nederlandse regering was geneigd om het geld te gebruiken voor humanitaire hulp. Maar Prins Bernhard was daar, net als de Engelse regering, tegen. Omdat er in het Engeland van die tijd nogal wat wantrouwen tegen hem bestond, begreep de Prins dat hij zich via een Nederlands fonds voor gevechtsvliegtuigen waar zou kunnen maken. De prins zorgde ervoor dat het bijeengebrachte geld aan Spitfires werd besteed, en dit gaf hem bij de Engelsen meteen enig krediet.

Uit de beschrijving van Verheul en Dankers komt het Fonds zoals het in die eerste oorlogsjaren functioneerde naar voren als een soort prive-onderneming van de Prins. Bernhard was actief betrokken bij het inzamelen van geld onder Nederlandse ondernemers. Hij besliste wat er mee gedaan werd. Hij tekende als een ouderwetse vorst cheques voor de aanschaf van wapentuig. Hij deed mee aan de opleiding van Nederlandse piloten en hij zorgde ervoor dat de gulste gevers een persoonlijke bedankbrief kregen. Het boek maakt op die manier duidelijk waarom de Prins in later jaren zo gemakkelijk steekpenningen kon eisen van de vliegtuigindustrie. Sinds zijn Londense tijd was hij bekend geworden als de man die in zijn eentje op grote schaal oorlogsvliegtuigen kocht.

Versterking

Het is deze zelfde eigenzinnige en soms wat antiparlementaire houding die je tegenkomt in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Er breekt dan een tijd aan waarin het Prins Bernhard Fonds en het hieraan verwante Nationale Instituut zich met veel retoriek beginnen te ontfermen over de versterking van wat wordt gezien als 'de nationale identiteit' en 'de geestelijke weerbaarheid'. Het is achteraf gezien een wat griezelig streven vol verheven doelstellingen die, zoals de auteurs aantonen, soms regelrecht aan het vocabulaire van Josef Goebbels zijn onleend. Er wordt aandacht gegeven aan volksvoorlichting, volkszang, volksmuziek, volksdans en lekenspel en er wordt gecongresseerd over 'De toekomst der Nederlandsche Beschaving'. Hoever het nationalisme zich in deze tijd uitstrekt, blijkt uit de discussies die het tienjarig bestaan in 1950 begeleidden. Allereerst weten sommige bestuursleden te verhinderen dat er een buitenlandse zangeres optreedt, omdat dit niet billijk zou zijn tegenover Nederlandse artiesten. Maar ook wordt er bezwaar gemaakt tegen de aankoop van een Marokkaans tapijt voor de kamer van de algemeen secretaris.

Een dergelijke buitenlandse aankoop wordt beschouwd als strijdig met het nationale karakter van het Fonds. Een van de interessantste onderdelen uit de studie van Verheul en Dankers is de creativiteit waarmee het Fonds steeds weer zijn inkomsten probeert veilig te stellen. Er bestaat vanzelfsprekend een aarzeling om als particuliere organisatie een beroep te doen op de belastinggelden, omdat daarmee de politieke controle zou worden binnengehaald. Aan de andere kant beseft het Fonds dat er op zuiver vrijwillige basis nooit genoeg geld voor een particulier fonds van enige allure zal binnenkomen. Om uit dit probleem te komen zoekt men naar tussenwegen. Het Fonds legt een claim op de opbrengst van de paardentotalisator. Geld dat door particulieren op de renbaan wordt vergokt.

Maar er moet meer mogelijk zijn. Men probeert mee te profiteren van het geld dat binnenomt bij de verkoop van zogeheten 'herstelsigaretten', sigaretten waarvoor geen distributiebonnen nodig waren. Er wordt ten behoeve van het Prins Bernhard Fonds gevraagd om een extra accijns op bier en jenever. En er zijn voorstellen om iedere Nederlander, 'van boer en arbeider tot ondernemer en zelfstandige', wekelijks een deel van zijn inkomen te laten afstaan voor de financiering van cultuur. Kennelijk wordt zo'n heffing op geen enkele manier met een belasting geassocieerd. Het plan, zo meldt het boek, is gebaseerd 'op een in volle overtuiging van het nut vrijwillig aanvaarde verplichting van allen.' Ook het bedrijfsleven wordt niet vergeten bij de jacht op geld. Er wordt, zonder veel succes overigens, voorgesteld elk jaar een procent van de winst aan het Fonds af te dragen. En aan de arbeiders wordt gevraagd om jaarlijks drie dagen achtereen een uur onbetaald over te werken. Alles voor het Fonds.

Pragmatisme

Het meest succesvol blijken uiteindelijk de pogingen geld te verwerven uit de goklust van de Nederlander. De belangrijkste inkomstenbron zal vanaf de jaren zestig de voetbaltoto worden, aangevuld met enkele andere loterijen zoals de Algemene Loterij Nederland. Wie het Prins Bernhard Fonds kent, weet dat zijn doeleinden inmiddels wat minder verheven zijn geworden dan in het begin van zijn bestaan. Het pragmatisme doet zijn intree. Vanaf het midden van de jaren vijftig gaat het er voornamelijk om zonder veel ideologische prietpraat diverse soorten kunst te ondersteunen. Sinds die tijd zijn enkele belangrijke kunstprijzen ingesteld, zoals de Martinus Nijhoffprijs voor Vertalingen en de David Roell Kunstenprijs. En het Prins Bernhard Fonds kan nu ook zelf opdrachten geven. Het gevolg is dat het Prins Bernhard Fonds op dit moment een verrassend modern Fonds is geworden. Dat bovendien van toenemende betekenis is. Uit de cijfers die het boek geeft, blijkt hoezeer het Fonds binnen de totale cultuur aan belang heeft gewonnen. Het budget bedraagt op dit moment niet meer dan 2 tot 3 procent van het kunstbudget dat de overheid tot haar beschikking heeft, maar op grond van wat het Fonds doet zou je denken dat dit veel meer is. Of het nu muziekkorpsen zijn die een nieuw uniform nodig hebben, een monument dat op instorten staat, boeken die niet kostendekkend kunnen worden uitgegeven, musea die geen geld hebben voor een schilderij, of een rondreizend theater dat verlichtingsapparatuur wil aanschaffen: voor vrijwel alles wat de overheid niet wil of kan betalen, kan bij het Prins Bernhard Fonds steun worden aangevraagd.

Toch is ook nu nog altijd iets te merken van het verzet tegen de manier waarop de overheid te werk gaat. Zo wordt in het jubileumboek uitvoerig ingegaan op de voordelen die een fonds als het Prins Bernhard Fonds heeft boven de cultuurpolitiek die de overheid bedrijft. Door de vele vrijwilligers die nog altijd voor het Fonds werken zijn er bijvoorbeeld zeer weinig overheadkosten. Bijna al het geld dat wordt uitgegeven komt aan cultuur ten goede. Tevens worden door de collectes jaarlijks vele honderden particulieren bij het fonds betrokken. Ten slotte gaat het Prins Bernhard Fonds verstarring tegen doordat elke subsidie in beginsel eenmalig is. Er worden geen duurzame exploitatiesubsidies gegeven. Elke steun kan na enige tijd worden gestopt.

Niet vreemd zal daaraan zijn dat ook de Prins nog altijd aan het naar hem genoemde Fonds is verbonden. Tijdens de feestelijke viering eerder deze maand in de Nieuwe Kerk dankte hij de hemel dat hij de veranderingen bij het Fonds al die vijftig jaar van zo nabij heeft mogen meemaken.

Jaap Verheul en Joost Dankers: Tot stand gekomen met steun van... Vijftig jaar Prins Bernhard Fonds 1940-1990. UItg. De Walburg Pers, 331 blz. Prijs fl.49,50.