Ik wil geen theekopjes waar ik niet uit kan drinken

De eerste Profielprijs is vorige week uitgereikt aan Wil Bertheux (73) in het Stedelijk Museum, waar hij zestien jaar conservator toegepaste kunst is geweest. Met de prijs wil de stichting Bertheux alsnog bedanken voor zijn inspanningen voor de textielvormgeving. Maar ook op andere gebieden heeft Bertheux het publiek jarenlang op de hoogte gebracht van de nieuwste ontwikkelingen. 'Het had wel iets propagandistisch.' AMSTERDAM, 24 aug. Onder het drinken van een kopje koffie met directeur Edy de Wilde van het Stedelijk Museum werd binnenhuisarchitect Wil Bertheux in 1965 conservator toegepaste kunst. 'Direct daarna heb ik Sandberg opgebeld om te vragen wat die baan eigenlijk inhield.' In de jaren vijftig had Bertheux diverse exposities ingericht in de RAI, massale manifestaties als 'Voeding en Hygiene' en 'Het Kind' met een deels educatieve, deels commerciele inslag. Maar in zijn nieuwe functie moesten hij en zijn collega Liesbeth Crommelin het grote publiek ervan overtuigen, dat prozaische zaken als stoelen, stoffen, glas en keramiek ook in een museum bestaansrecht hadden.

In 1968 lokte de tentoonstelling 'Vormgevers' bij een criticus de retorische vraag uit: 'Een drinkglas misschien, of een vaas, een stoel eventueel, maar wat is een melkfles, een fotocamera, het interieur van een autobus? Hoort dat alles wel in een museum?' Zijn stellige antwoord is: 'Ja. Als die autobus goed is ontworpen, als erover is nagedacht, als die zoals de bus van de ontwerper Raymond Loewy een vernieuwing in het begrip autobus betekent, dan hoort die wel in een museum.'

De tentoonstellingen van zijn eerste jaren als conservator, vooral die over industriele vormgeving, hadden iets propagandistisch, zegt hij zelf. Op die tentoonstelling met melkfles en autobus zette hij tien Nederlandse en tien buitenlandse industriele ontwerpers naast elkaar 'om te laten zien dat er heus iets interessants op dat gebied in Nederland gebeurde'.

Op het gebied van de textiel kwamen de interessante ontwikkelingen toen net en op gang. 'Het werk op de eerste Textielbiennale in Lausanne in 1962 was vooral decoratief: kleden naar ontwerp van Picasso, bijvoorbeeld. Net als in de keramiek is daar in jaren zestig fundamenteel verandering in gekomen. Toch zijn er tot op de dag van vandaag genoeg museumdirecteuren die textiel als decoratie beschouwen en niet als een zelfstandige kunstvorm. Ik heb toen wel eens gedacht: het lijkt alsof de textielkunstenaars geen vrij werk mogen maken.'

Levenshouding

Zijn opleiding tot binnenhuisarchitect kreeg Wil Bertheux aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, de latere Rietveld Akademie, van docenten als Mart Stam en Johan Niegeman die nauw aan het Bauhaus waren gelieerd. 'Men geloofde toen heilig in de opvoedkundige waarde van het ontwerpen: met schone, verantwoorde voorwerpen kon je de smaak van de massa verbeteren. Meer nog dan nu was vormgeving een politiek statement: een modern interieur=links, namaak-antiek=rechts. Zo was het ook! Een interieur van Berlage was toen geweldige nieuwlichterij.'

Instemmend haalt hij een citaat aan uit 1929 van grafisch ontwerper Piet Zwart: 'Vormgeving is geen kwestie van smaak, maar een uiting van onze levenshouding.' In het Stedelijk was hij er niet op uit de bezoekers op te voeden, zegt hij, maar om ze informatie aan te bieden over nieuwe stromingen kortom, over de vooruitgang. 'In 1966 maakten we de tentoonstelling 'Vijftig jaar zitten'; honderdvijftig stoelen, maar niet de stoelen waar de meeste mensen op zaten. Zo laat je als conservator en als museum zien waar je achter staat.'

Waar hij niet achter staat, is een tentoonstelling als 'Massacultuur' die het Haags Gemeentemusum in 1981 organiseerde. Daar waren onder andere 'huiskamers' ingericht van mensen uit allerlei sectoren van de samenleving. 'Dat is schijninformatie, ' zegt hij, 'een vorm van sociologie bedrijven die door 'maatschappelijke relevantie' is ingegeven en niet in een museum voor moderne kunst past. Ik zou wel graag zien, dat een historisch museum dat interieur opkocht voor later.'

Na zijn vertrek uit het Stedelijk in 1981, die met de expositie 'Tachtig jaar wonen' werd gemarkeerd, heeft Wim Beeren zijn hulp ingeroepen bij het opzetten van een afdeling toegepaste kunst in het Museum Boymans-van Beuningen. Hij heeft als 'gast' ook nog tentoonstellingen in het Stedelijk ingericht, bijvoorbeeld die over Oskar Schlemmer van het Bauhaus. Een van de lopende projecten is het verbeteren van de toegang tot het Amsterdams Historisch Museum. Een andere nieuwe ontwikkeling, het plan van WVC voor een nieuw vormgevingsinstituut, beziet hij echter met een zeker cynisme. 'We hebben er al zo veel gehad, ' zegt hij schouderophalend. 'Vlak na de oorlog had je het bureau voor Esthetische Adviezen, in de jaren vijftig was er het Centrum voor Industriele Vormgeving in de Beurs van Berlage. Het idee is steeds geweest om ontwerpers en fabrikanten met elkaar in contact te brengen, maar dat idee gaat elke keer weer naar de bliksem.' Het landschap van de toegepaste kunst is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Het is niet meer opmerkelijk om melkfles, camera en andere uitingen van de industriele cultuur in de musea aan te treffen. Maar het voornaamste is de vervaging van de grenzen tussen toegepaste en vrije kunst. 'Die ontwikkeling is op zichzelf goed', zegt Bertheux. 'Zoiets heeft zich ook in de fotografie voorgedaan en werkt absoluut als een vernieuwing. Maar met de vormgeving gaat het wel erg de modieuze kant uit. Als ik de krant niet kan lezen vanwege de vormgeving dan wil ik die krant niet, die kopjes waar ik niet uit kan drinken evenmin.' De ontwerper draagt nog altijd een grotere verantwoordelijkheid dan de maker van vrije kunst, daarvan is Bertheux overtuigd. Bezorgd ziet hij steeds vaker luidruchtige vormgeving de openbare ruimtes veroveren. 'Waarom laat Amsterdam lantaarnpalen ontwerpen door een beeldend kunstenaar in plaats van door een ontwerper? Nu krijgen we een kunstvorm van gietijzer waar we de komende eeuw niet meer onderuit kunnen.' Dat brengt ons bij Bertheux' criteria voor een goed ontwerp. 'Goede ontwerpen zijn dikwijls zeer terughoudend, ze moeten vanzelfsprekend zijn', zegt hij. 'Ze zijn pas spannend als je er goed naar kijkt. Maar ja, misschien ben ik gewoon een steile, ouderwetse Bauhaus-man.' In het Stedelijk Museum is nu een keuze uit de eigen textielcollectie te zien.