Honderdduizend lijsten; Schrijvers en leraren over hetverplichte lezen

Het verplicht stellen van een lijst van 21 werken uit de Nederlandse literatuur aan scholieren leidde de afgelopen week tot veel protest. J. Bernlef: 'Het lijkt wel een soort decreet van goede smaak. Zoiets hoort niet in Nederland thuis.'

De lijst komt er waarschijnlijk niet maar de discussie over verplichte literatuur voor scholieren is nu pas goed losgebarsten. Is er overeenstemming te bereiken over wat wel of geen literatuur is? En wat moeten de leerlingen in elk geval hebben gelezen? 'Toen ik het las dacht ik: dit kan niet waar zijn, het is een grap', zegt Mieke Tillema, lerares Nederlands aan het Stedelijk Gymnasium in Haarlem. Waarschijnlijk is het ook niet waar dat er eenentwintig boeken verplicht zullen worden gesteld voor leerlingen van het Havo en VWO. De lijst van eenentwintig titels die vorige week in de kranten verscheen was slechts een voorstel van een adviescommissie aan een commissie die straks de minister gaat adviseren. 'Dat er een zekere vraag bijvoorbeeld over een canon gesteld werd, hield nog geen enkele standpuntbepaling van de commissie in', schrijft de Commissie Vernieuwing Eindexamenprogramma's Nederlandse taal- en letterkunde VWO en Havo (CVEN) voorzichtigheidshalve in een 'Ten geleide' bij de presentatie van de 'pre-adviezen'.

Deze voorzichtigheid heeft de commissie niet mogen baten. Op het voorstel van de hoogleraren Ton Anbeek en Jaap Goedegebuure en de universitaire hoofddocent Harry Bekkering werd gereageerd alsof het hier om een al bijna vaststaand besluit ging. Een misverstand. Maar de discussie over de (on)wenselijkheid van een van overheidswege voorgeschreven literatuurlijst is beslist geen misverstand. Wat moet iemand die eindexamen Havo of VWO doet nu van de Nederlandse letterkunde weten? Iets heel vaags: 'kennis van en inzicht in een aantal literaire werken en de historische context van deze werken'.

Deze formulering laat de mogelijkheid open dat een leerling die eindexamen gymnasium doet volstaat met het lezen van tien recente boekjes waarbij de 'historische context' eenvoudigweg die van de laatste vijftien jaar is en hup daar gaat hij of zij met een negen voor literatuur naar huis. Is dat erg? Is het een reden de officiele eindexameneisen te herzien? 'Ja, ' antwoordt Jaap Goedegebuure, 'het is veel te veel een speeltuin geweest in het Nederlandse literatuuronderwijs de afgelopen jaren. Als je dat zo maar door laat gaan komen sommige mensen nooit uit de zandbak. Ik ken werkelijk afschrikwekkende vormen van lichtgewicht literatuuronderwijs.'

Hogere eisen

De meeste leraren Nederlands zullen een eenzijdige en uitsluitend hedendaagse eindexamenlijst niet goedkeuren. Een verscherping van de eisen, waardoor een dergelijke literatuurlijst niet langer toegang geeft tot het eindexamen VWO stuit bij vrijwel niemand op verzet. Ook de CVEN die voorlopig over bijna alles nog een slag om de arm houdt durft bij monde van haar voorzitter, dr. A. Braet, wel te verklappen dat de commissie in ieder geval iets meer gaat voorschrijven dan nu het geval is. De vraag is alleen hoeveel meer.

Is het wenselijk dat iedere ontwikkelde Nederlander Max Havelaar gelezen heeft? De adviescommissie Anbeek vindt uiteraard van wel, en zij wil de gemeenschappelijke literaire kennis ook niet beperken tot die ene titel. Het is de slepende maar interessante discussie over het belang van een gemeenschappelijk cultureel bezit en meer in het bijzonder over het bestaansrecht van een literaire canon die hier in bescheiden vorm weer opgerakeld wordt. De literaire canon is in de definitie van J. J. A. Mooij, hoogleraar in de Algemene Literatuur Wetenschap, 'een verzameling van literaire teksten, die in een samenleving als waardevol erkend worden, en die dienen als referentiepunten in de literatuurbeschouwing (met name in de literaire kritiek) en in het onderwijs (en daar dan ook onderwezen worden)'. Het probleem met zo'n canon is dat men veronderstelt dat hij bestaat maar dat niemand precies weet welke auteurs en titels tot het gemeenschappelijke cultuurbezit horen. Zeker is alleen dat niet de hele Nederlandse letterkunde even belangrijk gevonden wordt. Wie de canon niet opvat als zo'n beetje het gemiddelde van de opvattingen en smaken van literaire jury's, literatuurstudenten en -docenten, literaire uitgevers, schrijvers, critici, literatuurwetenschappers en -historici maar als een vast te stellen lijst, zit al snel met een index in de hand in plaats van met een 'middel om een samenleving in staat te stellen de meest waardevolle elementen in haar culturele geschiedenis te behouden' (Mooij). Elke keuze uit de literatuur vergroot het aantal niet-gecanoniseerde auteurs en dergelijke auteurs zijn gedoemd in de vergetelheid te raken. Dat een deel van de literatuur buiten beschouwing blijft is een veelgehoord argument tegen canonvorming. Laat iedereen maar in vrijheid vaststellen welk deel van de literatuur hij of zij het meest waardevol vindt, zeggen tegenstanders.

De lijst van Anbeek, Bekkering en Goedegebuure is een heel kleine keuze uit naar zij veronderstellen door iedereen geaccepteerde literatuur. 'Al bij een kleine rondvraag zul je zeker tien titels tegenkomen die ook op onze lijst staan, ' zegt Goedegebuure, 'al is de canon natuurlijk veel groter dan deze lijst. ' Waarschijnlijk heeft Goedegebuure daar gelijk in. Jan Wolkers, die zich op niet mis te verstane wijze tegen de Anbeek-lijst gekeerd heeft, fantaseert nadat hij het hele plan nog eens 'absurd' en 'krankzinnig' genoemd heeft, over een mooie dikke bloemlezing die hij voor schoolgebruik zou willen samenstellen als men hem een jaar gaf. 'Ik begin bij Staring, met 'Herdenking' dat is zo mooi: 'Wij schuilden onder dropplend lover, / Gedoken aan de plas; / De zwaluw glipte 't weivlak over, / en speelde om 't zilvren gras'.

Dan Multatuli, gedeeltes uit Woutertje Pieterse dat is toch veel aardiger voor de mensen dan Max Havelaar, behalve natuurlijk de Droogstoppel-hoofdstukken, die zou ik ook kiezen. Dan een stukje uit de Camera Obscura, van Kloos een paar mooie gedichten 'Nauw zichtbaar wiegen, op een lichte zucht, / De witte bloesems in de scheemring' en 'De bomen dorren in het laat seizoen' en dan Gorter met 'De zomer is de tijd van alle rozen/ die and're flauwer geuren licht verwinnen, / ze drijven boven op de zomerzinnen... '

prachtig is dat en iets uit de Mei, het begin, dan Boutens, Leopold natuurlijk wat kwatrijnen van Omar Khayam en dat gedicht met die handen: 'uw handen zij verwijlen mogen over mijn hoofd... '

en ik vergeet Emants nog. Inwijding is natuurlijk schitterend maar zo'n verhaal over een man en z'n maitresse dat vinden die kinderen toch niet leuk. Nee, ik neem Een nagelaten bekentenis dat is veel spannender met een moord erin en dan het eerste hoofdstuk van Van oude mensen de dingen die voorbijgaan, die man die met zijn honden de trap afkomt en in de kamer zit die vrouw en denkt 'hij gaat weer naar z'n meiden'. Couperus schrijft dat zo knap die typeert zo'n man dan ook... '

Wolkers gaat vrolijk citerend en genietend nog een poosje door en noemt zeker wel vijftien auteurs en titels die op de gewraakte lijst voorkomen, aangevuld met nog zeker dertig andere namen ('Bert Schierbeek en Remco Campert en Jan Cremer en zelfs een verhaal van mij en een stuk van Maarten 't Hart en ga zo maar door.') Zijn opvatting over welke literatuur belangrijk is verschilt zo te horen niet opvallend van die van Anbeek en Goedegebuure. Zijn opvatting over een verplichte literatuurlijst wel: 'Russische toestanden.' Zijn afkeer van een staatslijst deelt hij met verschillende van zijn collega's. Marga Minco: 'Er moet niets van bovenaf worden voorgeschreven. We hebben al eens ondervonden wat er dan gebeurt.' Maarten 't Hart: 'Er moet absoluut nooit zo'n lijst komen, ook niet een uitgebreidere lijst, je moet gewoon de hele Nederlandse literatuur ter beschikking stellen.' J. Bernlef: 'Een bespottelijk idee, waarom moet dat nu weer allemaal voorgeschreven worden? Het lijkt wel een soort decreet van goede smaak. Zoiets hoort niet in Nederland thuis.'

Enthousiast

In de definitie van Mooij is sprake van het onderwijs, daar zou een selectie uit de Nederlandse literatuur onderwezen en als referentiepunt gebruikt worden. Zo vanzelfsprekend blijkt dat echter niet te zijn. Zeker bestaan er titels die in het onderwijs steeds ter sprake komen. Maar niemand verheugt zich op het moment dat precies zal worden voorgeschreven welke titels dat zijn en welke niet. 'Ik vind het juist zo leuk', zegt Mieke Tillema, 'als een leerling ineens bijvoorbeeld enthousiast is geraakt voor C. C. S. Crone. Geen auteur die ooit kans maakt op een officiele lijst terecht te komen, maar wel een bijzondere schrijver.'

'Als een leerling met de Anbeek-lijst bij mij zou komen', zegt Jan Geerlings, docent Nederlands aan het Nienoordcollege in Leek, 'zou ik zeggen: je hebt een heel aardige leeslijst, maar ik zou je voorstellen ook een paar modernere titels te kiezen. En dan zou ik vragen: Waarom heb je deze lijst gekozen?' 'Het is een prachtige lijst', vindt ook Mieke Tillema, 'er is niets mee mis, zolang je hem opvat als een van de honderdduizend mogelijke lijsten.' Het is niet moeilijk om in grote lijnen tot een consensus over de belangrijkste Nederlandse literatuur te komen. Tot in details wordt niemand het met elkaar eens en dat geeft ook niet. Dat geeft pas als drie mensen plotseling een keuze maken die bindend is. Dan zijn er een paar veelgenoemde bezwaren: er is geen reden om de heersende verscheidenheid om te zetten in verplichte eenvormigheid; blijkbaar worden daartoe opgeleide leraren niet in staat geacht zelf een keuze te maken uit het aanbod; eigen ontdekkingen van leerlingen (hoe overbekend zijn niet de verhalen van middelbare scholieren die plotseling ontdekten dat Campert ook literatuur bleek te zijn en voor het eindexamen gelezen kon worden) worden bij voorbaat onmogelijk gemaakt en tenslotte worden schrijvers door hun eigen overheid verdeeld in verplichte en niet verplichte literatuur, dat wil zeggen in cultuurgoed en versiering.

Zijn er ook voordelen verbonden aan een dergelijke lijst? Voor wie ervan uitgaat dat leerlingen in de huidige situatie voornamelijk lichte dunne boekjes kiezen of door incompetente leraren jarenlang over niets anders dan hun eigen favorieten onderhouden worden, zijn de voordelen evident. Het is bovendien de laatste jaren niet ongebruikelijk te klagen over de invloed van de massamedia op het leesgedrag en cultuurpessimistisch te voorspellen dat het boek zal verdwijnen of anders toch hooguit in zeer kleine kring zal blijven bestaan. Lezen is niet iets vanzelfsprekends, het moet geleerd worden, op school, en dan liefst met behulp van goede literatuur. Ten slotte is er het argument van de cultuuroverdracht: het hoort tot een goede opvoeding om mensen te onderwijzen in de tradities en de geschiedenis van hun eigen cultuur. Dat een Engelsman-met-schoolopleiding wel eens iets van Shakespeare gelezen heeft vindt iedereen vanzelfsprekend, dat een overeenkomstige Nederlander nog nooit een toneelstuk van Vondel heeft uitgekregen ook. Daar wringt iets.

Verruiming 'Ik werd laatst opgebeld door iemand', zegt Willem Brakman, 'om te vragen hoe ik over de verplichte boekenlijst dacht. Prima, zei ik. Beter dan het verschraalde gemiddelde van nu. Dus dat is alleen maar winst. Maar de dwang! riep de man (een echte Hollander) korzelig. Dwang is fout, zei ik, verruiming van het blikveld is echter goed. Ik zou het een verplicht avonturen willen noemen. U komt op die lijst niet voor! riep de man (Hollander) triomfantelijk. Alles kan niet ineens, zei ik. Het begin is er!' Dat er zo'n opwinding over het lijst-voorstel is ontstaan verbaast Willem Frederik Hermans niets, maar de algemene verontwaardiging kan hij niet delen.

'Deze lijst lijkt me een redelijke basis, maar die leerlingen zouden er natuurlijk goed aan doen daarnaast nog tweehonderd andere boeken te lezen. Het wordt in Nederland altijd maar zo vanzelfsprekend gevonden dat dat niet gebeurt. Bij die lijst gaat het er toch alleen maar om dat ze van te voren weten over welke boeken ze op hun examen ondervraagd zullen worden.' De argumenten voor strengere eisen leiden niet automatisch naar een voor alle leerlingen verplichte lijst, zoals de argumenten tegen de verplichte lijst geen argumenten zijn tegen strengere eindtermen. Hoe zouden voor iedereen (of voor bijna iedereen) acceptabele eindexameneisen literatuur er uitzien? De CVEN vroeg niet alleen deskundigen op het gebied van de moderne letterkunde maar ook historisch letterkundigen een 'omschrijving te geven van de standaardminimumstof'. Daarbij moest aandacht besteed worden aan de literatuurgeschiedenis, de te behandelen of te lezen werken en de noodzakelijke theorie. De moderne letterkundigen voelden zich verplicht om precies te doen wat de CVEN vroeg: 'Wij hebben gewoon braaf een opdracht uitgevoerd', zegt Ton Anbeek. De historisch letterkundigen stelden een wat eigenwijzer advies op en zagen af van het voorschrijven van bepaalde verplicht te lezen titels. Dat, zo meenden de hoogleraren E. K. Grootes en F. P. van Oostrom en universitair hoofddocent J. J. Kloek, zou leiden tot een 'betreurenswaardige verstarring en tot demotivering van de leerlingen'.

Daarom gaven zij per periode aan Middeleeuwen, zestiende en zeventiende eeuw, achttiende eeuw welke begrippen ten minste bekend moesten zijn, welke auteurs de leerlingen geacht worden te kunnen 'plaatsen c.q. te karakteriseren' en welke genres. Uit elke periode dienen voorts tenminste drie afzonderlijk uitgegeven teksten zelfstandig gelezen te worden. 'Het advies van de historici is binnen de commissie zeer geprezen', zegt commissievoorzitter Braet. 'Die historisch letterkundigen hebben het makkelijk', zegt Jaap Goedegebuure. 'In de historische letterkunde staan de klassieken toch wel zo ongeveer vast, wat valt er daar nu helemaal voor de leerlingen te kiezen? Voor ons is het veel ingewikkelder.' Stromingen

Ten aanzien van de moderne letterkunde, als we tenminste alles van na 1830 'modern' willen noemen, bestaat er geen vanzelfsprekende overeenstemming over een verdeling in drie periodes, daar gaat het zowel over tijdvakken het interbellum, de naoorlogse tijd als over stromingen symbolisme, modernisme, post-modernisme als over bewegingen Tachtigers, Forum, Vijftigers die eigenlijk allemaal aan de orde zouden moeten komen. Om de een of andere reden lijken historisch letterkundigen het meer eens, in plaats van dat zij met hun enorme onderzoeksgebied (de elfde tot en met de achttiende eeuw tegenover de modernen slechts de negentiende en twintigste) juist verdrinken in de verscheidenheid aan mogelijke indelingen. Ongetwijfeld hebben zij het voordeel van de grotere afstand. Dichter bij de eigen tijd wordt het steeds moeilijker te onderscheiden wat van belang is en wat niet, wat tot ons 'cultuurbezit' hoort en waarover we, in ieder geval op de middelbare school, gerust kunnen zwijgen. De adviescommissie Anbeek heeft geprobeerd in een lijst van twintig titels aanknopingspunten te bieden voor de bespreking van zoveel mogelijk stromingen en literaire technieken, recht te doen aan de moderne klassieken en zo hier en daar rekening te houden met de voorkeur van leerlingen door bijvoorbeeld af te zien van Ter Braak en niet het dikke Het verdriet van Belgie voor te schrijven maar De Metsiers. Het was een tot mislukken gedoemde poging. Zij wilden veel strenger zijn dan nodig.

Ton Anbeek lijkt er ook alweer van terug gekomen. Zelf, zegt hij, zou hij deze lijst wat uit willen breiden met onder anderen Wolkers, Bernlef, Kopland, de titelkeuze iets ruimer maken, Nooit meer slapen mag natuurlijk ook in plaats van De donkere kamer van Damocles, en dan zouden leerlingen daaruit tien titels moeten kiezen en dan nog tien titels vrij. Zoiets.

Mieke Tillema kan zich wel voorstellen dat er per jaar een lijst zou zijn die betrekking heeft op een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld de Vijftigers, aan wie de leraar extra aandacht besteedt. Uit die lijst zouden de leerlingen dan drie boeken moeten kiezen. In de keuze van de rest van de lijst zijn ze vrij. Dat idee, dat bij haar op school al met succes in praktijk wordt gebracht, vertoont veel overeenkomst met het voorstel van Wam de Moor, voorzitter van de adviescommissie uit het literatuuronderwijs die eveneens door de CVEN geraadpleegd is. De Moor c.s. willen de leerlingen bovendien 'in de eerste plaats leren goede van slechte werken te onderscheiden'.

En daarbij moeten de leerlingen ook nog plezier hebben.

Het voorstel van de historisch-letterkundigen omwerken tot iets vergelijkbaars voor de moderne letterkunde is ook een mogelijkheid. En misschien zijn er nog wel veel meer mogelijkheden. De CVEN krijgt het nog druk de komende tijd.

Jan Wolkers: 'Anbeek wilde toch straatrumoer in de Nederlandse literatuur? Nou, dat heeft hij gekregen. Ketelbinkie waart rond!'