Heiligen schrijven niet; Gesprek met Julien Green

De Amerikaans-Franse schrijver Julien Green wordt op 6 september negentig jaar. Het Zuidelijk Toneel uit Eindhoven brengt dan in de regie van Ivo van den Hove Greens toneelstuk Sud. Van den Hove ziet Green als een mysticus van de liefde die verlangt naar een paradijs waaruit de seksualiteit is verdreven. Green zelf zegt: 'Het paradijs waaruit de mens is verdreven is niet zijn kindertijd. Het is de hemel.' Julien Green schrijft voor eenzamen. De wereld die hij oproept is voor geen van zijn personages als een vaderland. Het zijn bannelingen, ontheemden, mensen die van verre komen en verzeild raken in een omgeving die voor hen duister is. Green, van nature een slecht slaper, schrijft zijn boeken 'snachts; en de nacht is ook het beste tijdstip om zijn romans en journalen te lezen. Nocturnes zijn het, maar gelukkig zonder een zweem van zoete romantiek. Greens stijl is kristalhelder, soeverein, elegant. Hoewel Green lid is van de Academie Francaise dragen zijn boeken de signatuur 'onfrans' te zijn.

Julien Greens ouders emigreerden aan het eind van de vorige eeuw uit Virginia naar Parijs, waar Julien op 6 september 1900 werd geboren. In Greens literatuur harmonieert Frankrijk met Amerika: Amerikaanse helderheid gepaard aan Franse elegantie.

Op 16 januari 1949 noteert Green in zijn dagboek: 'Ik haat dit hele aspect van het leven. Ik wou dat er geen zinnelijke begeerten bestonden, en toch maken die juist dat er iets gebeurt, dat mensen kinderen maken en dat mensen boeken maken. Mijn grootste zonde is waarschijnlijk dat ik het lot van de mens niet heb willen aanvaarden.'

In de roman Moira uit 1950 staat: 'Er waren twee rijken, dat van God en dat van de wereld en die twee verdroegen elkaar niet in het hart van de mens.'

En op 4 mei 1959 geeft Green als entree van zijn dagboek: 'Er is in de wereld een onpeilbare droefgeestigheid die slechts in eenzaamheid voelbaar is.

Het is het heimwee naar het paradijs dat wij hebben verloren.'

Literatuur wortelt volgens Green in zondigheid: 'Mijn boeken worden geschreven door het onbewuste, en dat is ook wat mij zo in verwarring brengt, wat zich in het diepst van een gedoopte ziel verschuilt... '

(12 oktober 1959) Voor Green is de mens een afgezant van God die een goede boodschap naar de aarde brengt, maar de duivel heeft die onderschept. De medemens zou voor hem verlossing moeten betekenen, maar al te vaak is de ander juist de oorzaak van verdoemenis. Tijdens een reis door Midden-Europa noteert Green in zijn dagboek op 30 juli 1934: ' Elke dag weer die golf van sensuele begeerten die mij niet met rust laten. Dag en nacht voel ik een enorme honger in mij, die alle voedsel voor lief neemt. Ik heb lang gewacht dat het het gemakkelijkst was hem te stillen door aan zijn verlangens toe te geven, maar ik wou dat er een wereld was waarin die honger niet bestond! Terwijl ik deze zin nog aan het schrijven ben, voel ik heel mijn wezen al weer smachten naar zinnelijk genot. Ik heb verdriet om deze tegenstrijdigheden. Ik moet mijn best doen om meer na te denken, een ingetogener leven te leiden.'

Enkele jaren later besluit hij: 'In grote lijnen is dat het probleem van het hele leven. Je bevrijden... '

Dromen

Julien Green ontvangt in een stijlvolle kamer van zijn huis in het zevende arrondissement in Parijs. Voor de ramen fluweelrode gordijnen als draperieen die het licht van de namiddag temperen. Alles verzacht het geluid van buiten: de in leer gebonden boeken, de tapijten, de zonnegordijnen, het meubilair. Een bibliotheek geeft toegang tot de salon. Julien Green, gekleed in een donkerblauw pak, is kleiner dan ik me had voorgesteld. De boekenkasten reiken hoog boven hem uit. Een schrijver in de ideale werkruimte. De met boeken gestoffeerde wanden lijken het appartement te verzegelen; de wereld is ver weg. Zijn blik is alert, open. Wanneer ik hem enkele van de bovenstaande passages voorlees, schiet er een schittering door het staalblauw van zijn ogen. Green herleest zijn boeken nooit. Zijn uitspraken klinken hem als een verrassing in de oren.

Green maakt een strikt onderscheid tussen degene die schrijft en degene die niet schrijft. 'Als ik schrijf ben ik iemand anders. In mijn boeken vertel ik mijn dromen. Klaus Mann vroeg eens aan mij wie toch degene is die mijn romans schrijft. Ik antwoordde dat ik het niet wist, maar dat ik hem graag eens zou willen ontmoeten. Ik maak nooit van te voren een plan voor een roman of toneelstuk. Ik zie mensen voor me, ik zie beelden. Als ik dat niet zou zien, dan kon ik niet meer schrijven. Ik begin met enkele regels, een dialoog, dan de tekening van karakters, er gebeurt iets, er is tussen de mensen sprake van twist of onenigheid, ik ben benieuwd naar de afloop en schrijf verder. Daarom heeft elk van mijn werken een geheim, bij voorbeeld Het Zuiden (Sud). Dat geheim moet niemand willen oplossen, dan maak je het toneel kapot. De toeschouwer moet het geheim bewaren. Ergens zegt een van de personages: 'Wat moet ik zeggen?' Dat was in werkelijkheid de schrijver die niet wist hoe verder te gaan. Mijn twijfel werd ook de twijfel van de acteur op de speelvloer.' Deze charmante losheid van toon wekt verbazing. Adrienne Mesurat, de roman die Green schreef op zesentwintigjarige leeftijd, is zo hecht gecomponeerd en zo uitgebalanceerd en nauwkeurig verhaald, dat het boek in mijn ogen kan wedijveren met Madame Bovary en het misschien zelfs verslaat.

De liefde van de titelheldin brandt op omdat ze een oudere man tot haar minnaar wenst. Ongeveer tezelfdertijd als Adrienne Mesurat verscheen Nadja van Andre Breton, een confessie in de trant van de 'ecriture automatique'. Green wijst deze stijl voor zijn werk af: 'Ik communiceer niet met het duistere in mezelf en wil dat ook helemaal niet. Dat boezemt me juist angst in. De aanzet tot de roman Adrienne Mesurat was een hallucinatie: een opstandige jonge vrouw in een benauwd provinciestadje die gevangen wordt gehouden door haar vader. Vanuit dat beeld ontwikkelde ik de roman. Als ik het boek ooit eens zou herlezen, dan zou ik waarschijnlijk denken: 'Ja, dat is exact het boek dat ik wilde schrijven'. Schrijven kun je niet leren, zeker niet op een of andere creatieve cursus. Het is een geschenk. Bovendien moet een schrijver de bereidheid hebben te dwalen in het duister. Wie les neemt zal juist alles proberen om die duisternis te vermijden, waardoor de angel en de ziel uit het schrijverschap zijn gesneden. Ik ervaar een grote eenzaamheid als ik spreek met jonge Franse auteurs. Ze missen elke eruditie, lezen geen woord Engels of Duits. Hun thematiek is van een verstikkende onbeduidendheid. Mijn stijl sluit aan bij de Angelsaksische traditie. Visueel, nauwelijks filosofische uitweidingen. Mijn Frans is niet abstract, mijn grote voorbeeld is Pascal.'

Katholiek

Greens ogen krijgen een malicieuze en tegelijk verbitterde glans. In zijn romans en dagboeken speelt kijken een dramatische rol. Greens aandacht en passie voor jongens begint, zo getuigt het journaal keer op keer, met het kijken naar fysieke schoonheid. Als in Moira of Leviathan een prachtige vrouw wordt beschreven die door een man wordt gadegeslagen, dan maakt haar schoonheid dat er 'in het hart van de man iets is dat zwijgt' of dat het 'opeens ontzaglijk stil is om hem heen'. Inmiddels heeft Green voor ons beiden een glas port ingeschonken. Hij schikt de plaid om zijn benen en vertelt op bijna docerende toon, waarin af en toe iets van spijt over ouderdom doorheen klinkt: 'Fysieke schoonheid in mijn werk betekent altijd lijden, het is intimidatie. Vroeger durfde ik iemand niet aan te spreken omdat hij heel mooi was, liever koos ik mijn vrienden onder degenen die minder mooi en daarom minder bedreigend waren. Ik kan niet spreken tegen toonbeelden van schoonheid. Daarom hangt er om de personages die oog in oog staan met een wezen dat wonderlijk mooi is altijd een diepe droefheid.

Zuivere schoonheid hypnotiseert hen. Ze voelen dat ze niet binnen kunnen dringen in die 'cercle de horreur'. Ik moest me verweren tegen schoonheid; het eiste te veel van me en ik leed eronder. Het was uiteindelijk een religieus probleem, waarop ik maar een antwoord kon vinden: katholiek worden. Dat gebeurde in 1916, twee jaar na de dood van mijn moeder, waarmee mijn gelukkige kindertijd op slag eindigde. Maar ik ben protestants opgevoed en het is natuurlijk zo dat iemand die eens protestant is altijd protestant zal zijn. Toch betekende het katholicisme voor mij verlossing. De gelovige mens staat onvermijdelijk alleen, en het katholicisme leerde mij dit te dragen. Protestanten zullen nooit liegen, katholieken wel, zij hebben immers de biecht. Dank zij religie weet ik dat er een uitweg is uit deze wereld. Ergens is er licht. Het is de droom van elke katholiek om een heilige te zijn en tegelijk is hij geobsedeerd door de klemmende seksuele banden die de fysieke zuiverheid aantasten. Maar een schrijver kan nu eenmaal nooit een heilige zijn, want hij moet een zijn met zijn romanpersonages in hun zonden. Romans wortelen in zondebesef, in de drang naar sensuele vervulling. Een heilige zal nooit een boek schrijven, een heilige heeft geen idee van de eeuwig onvervulde begeerte die universeel is en de mensen dag en nacht beheerst.

Fysiek genot is onstilbaar en verslavend. ' Green vertelt dat hij erg gesteld is op kinderen en dat moeders in warenhuizen hun kinderen achterlaten bij de schrijver, mits ze hem herkend hebben. Maar aan een huwelijk heeft hij nooit moeten denken. Daartoe mist hij de 'roeping'. Bovendien zou het hem van zijn vrijheid beroven. Julien Green dwaalt elke dag in de ochtend nog een paar uur door Parijs. Een dag later vergezel ik hem. Hij maakt zich zorgen over bepaalde wijken in de stad waar hij niet durft te komen. Green: 'Parijs is erg veranderd. In de jaren vijftig was het een aangename, bekoorlijke stad. Ik ging vaak de stad in, vooral 'snachts, want dwalen door de stad is hetzelfde als reizen: zoiets doet men om sensuele redenen. Dat is nu voorbij. In Amerika zeg je dan: 'The jig is up.' Het stemt me droef te zien dat ook Parijs gevaarlijk is, het is als een nachtmerrie. Maar je kunt de veranderingen niet tegenhouden.'

Hetzelfde geldt volgens Green voor Amsterdam, dat hij een paar jaar geleden met zijn levensgezel bezocht. Terwijl de laatste ronddwaalde over de Zeedijk en door de Warmoesstraat, woonde Green een mis bij in de Nicolaaskerk.

Ik breng Sud ter sprake, het toneelstuk dat zich afspeelt aan de vooravond van de Amerikaanse Burgeroorlog. Hoofdpersoon is luitenant Wiczewsky die verliefd raakt op Erik Mac Clure, maar er is niemand die ook maar iets van zijn liefde begrijpt. Regisseur Ivo van Hove van Het Zuidelijk Toneel wil met deze enscenering aansluiten bij zijn regie van Wedekinds Lulu. Ging deze laatste voorstelling over de kaalslag van de liefde en over de wanorde en verwarring die liefde sticht, Het Zuiden heeft de mystiek van de liefde tot onderwerp. Green is volgens Van Hove een mysticus van de liefde, die verlangt naar een paradijs waaruit de seksualiteit is verdreven. Green vertraagt zijn pas, in de stille straat wordt het nog stiller. 'Het paradijs waaruit de mens is verdreven is niet zijn kindertijd, wat vaak wordt gedacht. Het is de hemel. De overkoepelende titel voor drie van mijn toneelstukken, Sud, L'Ennemi en L'Ombre, is De man die van elders kwam. In Sud is dat de jonge Erik Mac Clure die door het noodlot lijkt gezonden, die in zekere zin het noodlot zelf is. Hij weet niet waar het heen gaat in het verhaal. Ik weet het van mijn eigen leven evenmin. Deze wereld is niet mijn vaderland. Ik kom van ver. Geboren uit Amerikaanse ouders in Parijs. Puriteins-protestant opgevoed en katholiek geworden. Begonnen als tekenaar tot iemand tegen me zei dat ik mijn gaven als schrijver moest gebruiken. En toen ik eenmaal romancier was door regisseur Louis Jouvet ertoe overgehaald om toneel te gaan schrijven. Sud uit 1953 is het eerste stuk. Toen het een aantal jaren geleden in Parijs werd opgevoerd viel het doek neer op het ogenblik dat Erik Mac Clure en luitenant Wiczewsky elkaar aankijken. Dat was indrukwekkend. Al hun liefde en wanhoop lag besloten in dat kijken. Toen ik vroeger door de stad liep, het Parijs waar ik bijna mijn hele leven heb gewoond, dan gebeurde vaak hetzelfde als op dat prachtige moment in de toneelvoorstelling: kijken, toegeven aan de verlangens van het vlees en de ziel.' Het Verzameld Werk van Julien Green is verschenen in de reeks Pleiade van Gallimard. Bij De Arbeiderspers verscheen een keuze uit zijn Journaal in twee delen, vertaald door Greetje van den Bergh. Prijs deel 1 fl.47,90; deel 2 fl.49,50. De voorstelling Het Zuiden van Het Zuidelijk Toneel gaat op 7 september in premiere in de schouwburg in Eindhoven.