Duit in 't zakje

De Athenaeum Boekhandel aan het Spui in Amsterdam heeft zijn eigen 21 in de etalage gelegd. Elsschot is erbij en Hermans en Mulisch. Ik heb het rijtje titels niet uit m'n hoofd geleerd, evenmin als die eerste 21 van de bevoegden. Mij dunkt dat dit ook niet nodig is. De Athenaeum heeft de impasse doorbroken: iedereen zijn eigen 21, te beginnen bij de boekhandels die dan ook de uitverkoren werken achter het raam moeten leggen.

Men weet waar het over gaat. Drie bevoegden in de Nederlandse letterkunde hebben geopperd dat voor het eindexamen Nederlands 21 boeken verplicht zullen worden gesteld. Hierop zijn praktisch alle andere bevoegden in het geweer gekomen. De afgelopen week heeft de strijd tussen de Nederlandse bevoegden weinig minder aandacht getrokken dan de crisis in de Perzische Golf.

Hoewel onbevoegd heb ik ook over deze kwestie mijn gedachten. Omstreeks 1965 is het verval van het onderwijs in de Nederlandse literatuur begonnen. Dat weet ik omdat ik tussen 1940 en 1946 de schoonheid van onze klassieken (en niet: klassiekers, zoals de radio nieuwsdienst ze noemt) heb leren kennen en omdat mijn kinderen het lezen van mooie boeken is bijgebracht toen de neergang al in volle gang was. Dat ze daarvan niet het slachtoffer zijn geworden is uitsluitend te danken aan een Amsterdamse leraar Nederlands, de heer Van Lynden.

Onderwijs in alle vakken kan alleen tot een redelijk resultaat leiden als er een ijzeren dwang bij wordt uitgeoefend. Om zich goed Nederlands eigen te maken te spreken en te schrijven moeten de kinderen verplicht worden, veel uit het hoofd te leren. Lange passages uit boeken van auteurs die schrijven zonder prietpraat, scherp en vrij van de taboes die de verbeeldingskracht knechten. Ik ga geen namen noemen. Vervolgens zal de leerlingen worden duidelijk gemaakt hoe het juist niet moet: dit door middel van een bloemlezing uit de kromste retoriek uit de Lage Landen. Ook hier geldt de verplichting: uit het hoofd en voor de klas om het een en ander op te zeggen.

Het is bekend dat aan het opnemingsvermogen van jonge hersens praktisch geen grenzen zijn, en wat nog belangrijker is: wat men tussen ongeveer z'n derde en z'n achttiende uit zijn hoofd leert, zal men meestal tot zijn laatste snik onthouden. Wat voor het Nederlands geldt is trouwens ook waar voor andere talen. Wie vijf of zes of desnoods zeven jaar van het op deze manier ingerichte onderwijs heeft genoten, daarbij een boek of acht per jaar heeft moeten lezen, de mooiste en de lelijkste passages uit onze literatuur uit zijn hoofd kent en gewapend daarmee ook al heel redelijke opstellen kan schrijven, zal onder de nu heersende omstandigheden al kunnen meedingen naar de P. C. Hooftprijs. Maar eerst het eindexamen. Dit is een belangrijke gebeurtenis, of liever gezegd: het is een grens, de drempel tussen het gedisciplineerde bestaan op de schoolbank en de vrijheid van de wijde wereld. Op het eindexamen wordt gemeten wat men weet en vastgesteld wat men er naar eigen inzicht mee kan verrichten.

Als men zoveel jaar van behoorlijk onderwijs achter de rug heeft, is het vanzelfsprekend dat men uit een behoorlijke belezenheid kan putten. Daartoe hoort men dan ook in volle vrijheid in staat te worden gesteld. De geexamineerde heeft er recht op een vrij mens te zijn omdat hij zich die vrijheid al lerend heeft veroverd. Daarom in de eerste plaats is het zot, op het nippertje zo iemand 21 boeken voor te schrijven. Met die verplichting had hij aan het begin van de eerste klas moeten worden verrast. En dan: waarom aan het einde die 21 als men aan het begin in staat werd gesteld er met de pet naar te gooien? Wie in juni 1991 eindexamen gaat doen en aan de lijst der bevoegden begint, zal waarschijnlijk nooit veel meer dan 21 boeken lezen. Dat is om te beginnen vervelend voor de onbekende schrijver die het 22ste boek heeft geschreven dat er net niet op mocht, en daarna voor de auteur van het 23ste, enzovoort. Het lijkt wel of de drie bevoegden een boycot voor de Nederlandse literatuur min 21 hebben afgekondigd.

Het is ook een uitnodiging om een monument op te richten voor de Onbekende Schrijver.

Ik voorspel dat het zover niet zal komen. Een op zichzelf interessant vraagstuk is, op het ogenblik dat ik dit schrijf, al vrijwel in ruzies begraven.