De worm

Hallo, ik ben een regenworm, Dun en langwerpig is mijn vorm; Op wie ik lijk, mijn lieve kind, Dat weet ik niet, want ik ben blind.

Ik weet niet of ik blauw of rood ben, Ik weet alleen maar dat ik bloot ben.

Mijn zorg is om niet uit te drogen; Ziedaar een leven zonder ogen.

Ja, ik zit altijd in het donker, Ik heb geen weet van stergeflonker, Maneschijn of zonneschijn; Maar mijn wormenhart is rein.

Toch is men bang mij aan te raken Daar kan ik me zo kwaad om maken! En de woede van een worm, Vergis je niet, die is enorm.

Een worm die eet nu eenmaal aarde, Dat moet de mensheid maar aanvaarden.

Geef mij maar natte zwarte grond, Dat knarst zo lekker in je mond.

Zo knars ik traag de zomer door, Knarsen is alles wat ik hoor; En als ik straks begin te gapen, Leg ik mij vergenoegd te slapen.

Diep in de aarde onder zeil; Net boven het grondwaterpeil, Verzwolgen door wat ik verzwelg, Warm en donker en gezellig.