Saddam Hussein moet niet worden gewurgd

Het wezenlijk vitale Amerikaanse belang in de Koeweit-crisis is het waarborgen van de Golf als betrouwbare, stabiele, betaalbare oliebron voor het geindustrialiseerde Westen. De Iraakse agressie tegen Koeweit heeft dit belang onmiskenbaar in gevaar gebracht. Het duidde op niets minder dan de onderwerping van de Golfstaten aan een land dat zijn meedogenloosheid en radicale visies duidelijk had getoond. Als de Verenigde Staten er niet onmiddellijk op hadden gereageerd zoals zij deden, met lofwaardige spoed en vastberadenheid zou Irak zeer waarschijnlijk zijn opgestaan als de overheersende macht van de regio en de belangrijkste bepaler van de olieprijs.

Sinds de verkondiging van de Carter-doctrine in 1980, die vervolgens door de Reagan-regering werd overgenomen, heeft de Amerikaanse politiek zich verbonden aan de stelling dat de Amerikaanse macht zonodig zal worden gebruikt om een vijandige overheersing van de Golf te voorkomen. De interventie van de Amerikaanse marine in de Golf in de meest verhitte fase van de oorlog tussen Irak en Iran, gaf die verbondenheid duidelijk weer. President George Bush heeft derhalve verstandig en strokend met de gevestigde Amerikaanse buitenlandse politiek gehandeld, toen hij onlangs besloot de Amerikaanse troepen in te zetten om verdere Iraakse stappen te stuiten. Daarbij heeft hij Saoedi-Arabie en de andere Golfstaten op geloofwaardige wijze overtuigd van de bereidheid van de Verenigde Staten desnoods alleen militair betrokken te raken.

Achter zo'n geloofwaardig Amerikaans schild zouden nu de olieproducenten bereid kunnen worden gevonden hun produktie te verhogen. Inderdaad popelt zelfs het vijandige Iran om meer olie te pompen, en bevriende producenten, niet alleen in het Midden-Oosten maar ook elders, kunnen het wegvallen van de Iraaks-Koeweitse oliebron zonder veel moeite opvangen. Vandaar dat de eenzijdige maar defensieve Amerikaanse actie in Saoedi-Arabie er in wezen op is gericht de centrale Amerikaanse belangen veilig te stellen. In de Verenigde Staten lijkt over deze doelstellingen een algemene consensus te bestaan en het is te rechtvaardigen dat de regering-Bush een brede steun van de bevolking verlangt voor haar betoonde vastberadenheid.

Maar de zaak wordt ingewikkelder als het gaat om de andere verkondigde doelstelling van de Amerikaanse politiek: de teruggave van Koeweit door zijn bezetter. Ook dit is duidelijk een nastrevenswaardig doel. Een wrede en gewelddadige inlijving van een lid van de internationale gemeenschap door een sterkere buurman is niet aanvaardbaar en mag niet worden getolereerd. Als dat anders zou zijn, zou de internationale rechtsorde ernstig in gevaar komen. Daarom is een internationale reactie op haar plaats, daarom hebben de Verenigde Naties hun veroordeling erover uitgesproken.

Maar dit is nu precies het essentiele punt. Een internationale en niet een puur of zelfs overwegend Amerikaanse reactie is noodzakelijk. Als de gezamenlijk opererende internationale gemeenschap de terugtrekking van Irak uit Koeweit kan bewerkstelligen, zal het voor ieders bestwil zijn. Het zal een belangrijke les zijn en de wereld een prijzenswaardig voorbeeld verschaffen van internationale samenwerking in de eerste ernstige crisis na het tijdperk van de Koude Oorlog.

Dit zijn geen loze woorden. Maar zij zullen slechts waarde hebben als aan twee belangrijke voorwaarden is voldaan. De eerste is een werkelijk internationale, collectieve actie en niet een vooral Amerikaanse onderneming, zelfs al is die er een onder de vlag van de Verenigde Naties. Dat betekent dat die poging serieuze steun verdient en dat niet de Sovjet-Unie, Japan of enig andere belangrijke medespeler zich eraan mag onttrekken, dat ten minste enkele Arabische landen hun medewerking verlenen aan het handhaven van blijvende druk op Irak, en dat de kosten op internationaal niveau billijk moeten worden gedeeld.

In de tweede plaats is het van belang dat de internationale druk door een embargo of blokkade zo moet worden bedacht en uitgevoerd, dat Irak ertoe wordt gebracht te onderhandelen in plaats van toe te slaan. Het moet de opzet zijn Irak te 'knijpen', vooral niet te wurgen. Dat is een wezenlijk onderscheid en dit geldt in het bijzonder voor het voeren van enige dwangpolitiek. De doelstelling zou niet 'onvoorwaardelijke overgave' moeten zijn, zoals in de Tweede Wereldoorlog, maar een oplossing door onderhandeling.

Het ontkennen van deze overweging is een uitnodiging aan een in de hoek gedreven Iraakse regering een wanhoopsdaad te begaan, waarmee de internationale blokkade van Irak wordt omgezet in een vooral anti-Amerikaanse oorlog van de gefrustreerde Arabische massa's. De voor de hand liggende krijgslist voor Irak is dan het binnentrekken van Jordanie, om daarmee een Israelische reactie uit te lokken die vervolgens een heel andere en grotere explosie zal ontketenen.

In elk geval is het vooral belangrijk dat Amerika voorkomt dat het de zichtbare aanvoerder van zo'n onderneming zou worden, om maar te zwijgen van een poging van Amerika alleen om Irak te dwingen Koeweit te verlaten. Gebrek aan alertheid in dit opzicht zou een aantal werkelijk onwenselijke gevolgen kunnen hebben.

Mensenlevens

Om te beginnen zouden de kosten van elke militaire poging om Irak uit Koeweit te verdrijven, zeer hoog kunnen zijn. Het is onwaarschijnlijk dat het Amerikaanse publiek zal accepteren dat mensenlevens worden betaald als prijs voor het troonherstel van de emir van Koeweit. Daarbij komt nog dat men rekening moet houden met het feit dat een aanvallende Amerikaanse houding, hetzij door uitoefening van militaire dwang op Irak, hetzij door de instelling van een blokkade, enorme risico's in zich draagt. De mogelijkheid van een escalatie mag zeker niet worden verwaarloosd. Er zijn eenvoudigweg te veel partijen in de regio die willen profiteren van de slachting die het gevolg zou zijn van een militair treffen. Zowel Iran als Syrie zal in de verleiding worden gebracht oude territoriale rekeningen te vereffenen. De Likud-regering in Israel staat ook bekend om haar eenzijdige militaire interventies. Een uitbreiding van het conflict zou ook voor een wanhopig Irak zelf van belang kunnen zijn. Kort gezegd, de regio als geheel zou in vlammen kunnen opgaan.

Het gevolg daarvan zou niet alleen een groter conflict zijn, maar een algemeen verbod betekenen voor het Westen om toegang te krijgen tot de olie. Op deze manier zou het najagen van de tweede belangrijke doelstelling Irak weg uit Koeweit het ongewenste effect kunnen hebben dat het bereiken van de eerste en centrale doelstelling wordt tenietgedaan: Westerse toegang tot olie. Dit zou vooral ironisch en tragisch zijn, omdat die toegang en de betaalbaarheid kunnen worden zekergesteld, zelfs als Irak, onderworpen aan een hevige Amerikaanse wurggreep, voorlopig in Koeweit blijft.

Het voorgaande is niet bedoeld om Saddam Hussein vrij te pleiten van een internationale gewelddaad. Het is een pleidooi voor een bewust onderscheid, voor een politiek die is gebaseerd op nuance, en niet op bewust opgewekte publieke hysterie.

Een voorbeeld van dergelijke hysterie is de misleidende vergelijking tussen Saddam en Hitler. Deze analogie gaat voorbij aan het feit dat Hitler de sterkste Europese macht aanvoerde, met een bevolking van zo'n 70 miljoen, in staat zich voor een oorlogvoering van langere duur industrieel te bedruipen. Saddam is de leider van slechts 17 miljoen mensen, zonder te beschikken over een eigen oorlogsindustrie of een effectieve voedselproduktie.

In die omstandigheden moet Amerika krachtig, desnoods op eigen houtje, maar ook intelligent optreden. De Amerikaanse politiek moet zijn gericht op het afschrikken van agressie, niet op het houden van een kruistocht. Om het grover te zeggen: de oliestroom is uiteindelijk een Amerikaanse noodzaak, de bevrijding van Koeweit is een verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap. Het eerste is niet afhankelijk van het tweede.