Investeren in energiebesparing wordt weer lonend

De Nota Energiebesparing, de ruggegraat van het Nationaal Milieuplan-Plus en het anti-broeikas-beleid van de regering, dreigt steun te krijgen uit onverwachte hoek. Blijvend hoge brandstofprijzen als gevolg van de crisis in de Golf zouden de ambitieuze plannen van het ministerie van economische zaken plotseling een heel wat realistischer karakter verschaffen dan tevoren. Niet langer hoeft de consument louter te worden aangesproken op zijn gevoel voor het milieu, want investeren in energiebesparing belooft weer lonend te worden. Het tot nu toe gevoerde anti-broeikasbeleid zal echter ook in dat geval geen doorslaand succes worden.

De Nota Energiebesparing, die kort voor het zomerreces aan de Tweede Kamer is gepresenteerd, kondigt een nieuwe golf van energiebesparingen aan. Anders dan in de jaren zeventig staan niet kostenreductie en sparen van voorraden voorop, maar zijn de komende campagnes vooral gebaseerd op beperking van emissie van CO, het belangrijkste broeikasgas. Overigens is de titel van de nota daarbij verwarrend, want er wordt tot het jaar 2000 eigenlijk geen energie bespaard. Verbetering van rendement ofwel: meer energie uit dezelfde hoeveelheid brandstof is het belangrijkste wapen van Economische Zaken tegen het broeikaseffect.

Sinds de campagne in de jaren zeventig stond de thermostaat al een paar graden lager, dus verdere besparing zou de Nederlandse consument in de kou zetten. Economische Zaken kiest dan ook voor behoud van luxe en welvaart. Volgens de Nota Energiebesparing zal de vraag naar warmte, kracht en elektriciteit (de secundaire energie) het komende decennium dan ook jaarlijks bijna 2 procent groeien. Om die groei te compenseren moet een jaarlijkse rendementsverbetering van 2 procent worden bereikt. Daarmee kan de vraag naar primaire energie (aardolie, steenkolen en aardgas) op hetzelfde peil blijven, en dus ook de hoeveelheid uitgestoten kooldioxyde.

De schatting van een jaarlijkse groei in de secundaire energievraag van twee procent lijkt aan de lage kant, want de huidige trend in de economische groei is tussen 2,5 en 3 procent per jaar. De energievraag groeide in het verleden even hard. Zo nam het elektriciteitsverbruik vorig jaar met 4,2 procent toe en de binnenlandse gasafzet met 2,5 procent. De groei in de CO-emissies schetst zelfs nog een somberder beeld. Volgens een in het NMP-plus geciteerd rapport groeide de uitstoot van CO tussen 1985 en 1988 jaarlijks met gemiddeld 3,3 procent. Een rendementsverbetering van twee procent is niet voldoende om dat te compenseren.

De oplossing voor die discrepantie is, althans volgens minister Andriessen (interview met Energiespectrum) dat de energievraag bij elke procent economische groei slechts met 0.7 procent toeneemt. Dat kan niet anders betekenen dan selectieve groei en echte energiebesparing, maar daarvoor is althans in de nota weinig terug te vinden. Het ultieme doel van het EZ-geschrift, stabilisatie van de CO-emissies op het niveau van 1990 (te weten 182 miljoen ton CO) of zelfs een lichte daling van 3 a 4 procent na tien jaar, staat daarmee op losse schroeven. Maar misschien snelt ook hier de Golf-crisis te hulp, in de uiterlijke vorm van een trendbreuk van de economische groei.

Een rendementsverbetering van jaarlijks twee procent, naast de bovengenoemde extra besparing, is, zo wordt alom geconstateerd, een zeer ambitieuze doelstelling. Weliswaar beloven de grootscheepse campagnes (vooral door de nutsbedrijven), de herintrede van de subsidie op woningisolatie en een totale investering van jaarlijks zo'n drie miljard gulden veel goeds, maar de inspanning die daarvoor moet worden geleverd is enorm. Zo wordt er gemikt op een verhoging van het aantal spaarlampen per huishouden van 0,8 naar 3,5, moeten er jaarlijks 60.000 woningen worden geisoleerd en 180.000 hoog-rendementsketels worden geinstalleerd.

Daden

Met milieu zou volgens de nota het belangrijkste argument moeten zijn om tot deze grootse daden te komen. De bereidheid tot bezuinigen ten behoeve van het milieu wordt inderdaad vaak met de mond beleden, maar tussen woorden en daden zit meestal een wereld van verschil. In dat licht bezien zijn hogere energieprijzen gunstig, omdat investeringen sneller kunnen worden terugverdiend. Naast deze subtiele details past bovendien de globale constatering dat een CO-emissiereductie van een paar procent in geen verhouding staat tot de enorme reductie die nodig zou zijn om ingrijpende veranderingen in de natuur te voorkomen.

Los van de vraag of Nederland met zijn bijdrage van 1 procent aan de mondiale CO-uitstoot wel iets wezenlijks kan doen voor een klimaatsverbetering, moet worden geconcludeerd dat energiebesparing in de zin van het overheidsbeleid nooit het enige wapen tegen het broeikaseffect kan zijn. Uiteraard is energiebesparing een groot goed, al was het maar omdat voorraden worden gespaard, de verzuring wordt beperkt en er, bij de voorspelde hoge olieprijzen, zelfs weer economisch gewin in het verschiet ligt. Maar beperking van het broeikaseffect vraagt om veel straffere middelen.

China en India

De groei in het gebruik van fossiele brandstoffen door de Derde Wereld baart de grootste zorgen. Elke procent energiebesparing in het Westen zal dubbel en dwars teniet worden gedaan door landen als China en India, die miljoenen tonnen kolen extra gaan stoken. Internationale coordinatie en kennisoverdracht is dan ook van het grootste belang zoals overigens ook in de Nota Energiebesparing wordt opgemerkt. In dat internationale kader vallen overigens ook herbebossingsprojecten, die wellicht eerder de moeite waard zijn dan besparingsstrategieen.

Daarnaast moet een veel strengere CO-emissiereductie worden overwogen. Maar daarvoor zijn nu nog slechts middelen te bedenken die politiek of technisch nog niet haalbaar zijn. Energiebesparing waarbij vrijwillig wordt afgezien van economische groei is politiek nog niet erg serieus genomen; forse overheidsheffingen op energieprijzen zijn nog in onderzoek; andere, meer technocratische oplossingen als gebruik van duurzame bronnen, kernenergie of CO-filters en -opslag smeken om nog vele miljoenen guldens investeringen in lange-termijnonderzoek. Daarvoor is vooralsnog niet veel plaats ingeruimd in de Nota Energiebesparing. Deze nota, hoe ambitieus ook, kan dus zelfs met een forse ruggesteun van hoge olieprijzen niet meer zijn dan een voorbode van een nog grootsere aanpak van milieuproblemen in het algemeen, en het broeikaseffect in het bijzonder.