Industrieel belang stempelt Frans beleid in Midden-Oosten; Eerst de wapens, dan de moraal

ROTTERDAM, 23 aug. 'Eerst komen de wapens, dan de moraal.'

Met die variatie op Bertold Brecht vatte de correspondent van de NRC meer dan twintig jaar geleden de Franse politiek in het Midden-Oosten samen. Deze kenschets van het Franse buitenlandse beleid is nog altijd zeer ter zake. De door de jaren heen geleverde wapens, die overigens nog lang niet zijn afbetaald, zijn inmiddels gebruikt en Parijs schaart zich nu in het kamp van de moreel verontwaardigden.

Irak was de afgelopen vijftien jaar in het Midden-Oosten een van de grootste afnemers van Frans wapentuig, van Mirages en Gazelle-helikopters tot Exocet-raketten en radarapparatuur. Frankrijk leverde met genoegen, want dat betekende werk voor de wapenfabrikanten, van wie sommigen voor de helft van hun omzet van de export naar Irak afhankelijk waren. Oud-premier Jacques Chirac, tegenwoordig burgemeester van Parijs, was de belichaming van de hartelijke betrekkingen tussen Frankrijk en Irak al probeert hij nu van dat imago af te komen. Toen hij in september 1975 Saddam Hussein in Parijs ontving sprak hij de dezer dagen door zijn tegenstanders veelvuldig aangehaalde woorden: 'U bent mijn persoonlijke vriend. U kunt rekenen op mijn waardering, mijn aandacht en mijn genegenheid.' Parijs had Irak al in de jaren zestig uitgekozen als belangrijke gesprekspartner in het Midden-Oosten, een keuze die werd ingegeven door de oliewinning in het land en door het feit dat het gebied tot die tijd in de Britse invloedssfeer had gelegen. Maar daarbij probeerden opeenvolgende regeringen de betrekkingen met Iran niet te verwaarlozen. Toen Irak en Iran in 1975 in Algiers hun slepende grensgeschil bijlegden, stemde dit Frankrijk dan ook tot grote tevredenheid.

Oorlogsdaad

De betrekkingen tussen Parijs en Teheran verslechterden echter snel toen in september 1980 oorlog uitbrak tussen Iran en Irak over hetzelfde geschil waarover vijf jaar eerder een akkoord was bereikt. President Giscard d'Estaing besloot namelijk geen wapenembargo in te stellen tegen Irak, omdat hij erop rekende dat Saddam Hussein er snel in zou slagen de Islamitische Republiek de genadeslag toe te brengen. De toenmalige Iraanse president, Bani Sadr, omschreef de doorgaande wapenleveranties aan Irak als 'een daad van oorlog tegen Iran'. De relatie tussen Parijs en Teheran verslechterde verder toen Bani Sadr in september 1981 als politiek vluchteling zijn heil zocht in Parijs en de leider van de verzetsbeweging Mujahedeen-Khalq, Rajavi, hem volgde. Teheran vroeg tevergeefs om uitlevering van het tweetal, wat er toe bijdroeg dat de betrekkingen nog verder verkilden. Ondertussen bleef Frankrijk doorgaan met wapenleveranties aan Irak, zonder dat veranderingen in de politieke kleur van president of premier daarop enige invloed hadden. Bij een officieel bezoek aan Kairo verklaarde de Franse president Mitterrand in november 1984: 'Het militaire evenwicht tussen de Arabische en de Perzische wereld moet bewaard blijven. Wij willen niet dat Irak in deze oorlog overwonnen wordt.' Mede onder invloed van het lot van de Franse gijzelaars die in Libanon werden vastgehouden door pro-Iraanse organisaties, kwamen Teheran en Parijs in de loop van 1986 weer met elkaar in gesprek. Tijdens die besprekingen drong Teheran een en ander maal aan op een neutralere opstelling van Frankrijk in de Golfoorlog. Maar tot een blijvende verbetering van de verhoudingen kwam het niet, ondanks het feit dat Parijs Rajavi het land uit stuurde en Iraanse tegoeden uit de tijd van de sjah terugbetaalde en ook al konden begin 1987 enkele Franse gijzelaars in Libanon worden vrijgekocht. In juli van dat jaar, toen ook Franse schepen in de Golf het doelwit werden van de Iraanse marine, verbraken de twee landen uiteindelijk hun diplomatieke betrekkingen. De aanleiding was de weigering van de Iraanse ambassade in Parijs om Vahid Gordji, om een tolk die werd verdacht van betrokkenheid bij bomaanslagen in Parijs, met de Franse politie te laten praten. Frankrijk kondigde ook een handelsembargo tegen Iran af.

Geen geld

Hoewel de recente breuk tussen Parijs en Bagdad pas optrad na de Iraakse inval in Koeweit, waren de afgelopen maanden al tekenen van verkilling te bespeuren. In mei van dit jaar besloot Parijs namelijk de wapenleveranties aan Irak stop te zetten, omdat het land de achterstallige schuld bij de Fransen had laten oplopen tot vier miljard dollar.

In dezelfde periode waren ook de eerste tekenen te bespeuren van een geleidelijke ontdooiing van de betrekkingen tussen Parijs en Iran, nadat de diplomatieke betrekkingen medio 1988 weer al waren hervat en in december van dat jaar ook weer toestemming was gegeven om olie uit Iran naar Frankrijk te exporteren. Zo stuurde Frankrijk omvangrijke humanitaire hulp naar Iran voor de slachtoffers van de aardbeving die het noordwesten van het land op 21 juni trof. In een dankwoord aan minister van binnenlandse zaken Pierre Joxe liet diens Iraanse collega Abdullah Nuri weten dat hij hoopte dat de samenwerking verder zou kunnen worden uitgebreid en dat was precies waarvoor de hulp was bedoeld. Frankrijk maakte een maand later een nog belangrijker gebaar door de vervroegde vrijlating van de Libanese terrorist Anis Naccache, die in 1980 tot levenslang was veroordeeld wegens een mislukte aanslag op de Iraanse oud-premier Shapour Bakhtiar, wat in de Frankrijk overigens alleen tot protesten leidde bij gevangenen die er minder genadig afkwamen.

Na de inval van Irak in Koeweit sloot Frankrijk zich onmiddellijk aan bij de internationale veroordelingen, maar ook daarin bleef het land een eigen onafhankelijke koers varen, geheel in de traditie van het gaullisme. Parijs besloot het vliegdekschip Clemenceau naar de Golf te sturen om verdere Iraakse agressie te ontmoedigen, maar tegelijk werden twaalf vertegenwoordigers naar de regio gestuurd om de Franse politiek te verduidelijken: de Franse actie mocht eens worden geinterpreteerd als een anti-Arabische. Ook werd de opleiding die Iraakse piloten in Frankrijk krijgen niet onmiddellijk stopgezet. En nog altijd bevindt zich een aantal militaire adviseurs in Irak, al zullen die inmiddels wel behoren tot de groep mensen die door de Franse president nu officieel als 'gijzelaars' is aangeduid.

Gijzelaars

Want ondanks de langdurige vriendschap tussen Frankrijk en Irak zijn de Fransen daar niet ontsnapt aan het lot dat ook talrijke Britten en Amerikanen nu ondergaan. Inmiddels zijn 33 Fransen overgebracht naar strategische locaties in het land, waar ze als gasten van het Iraakse volk een bijdrage mogen leveren aan de vrede in de wereld. Voorzichtige pogingen van Parijs om de Fransen dit lot te laten ontgaan PLO-leider Arafat zou oud-minister van buitenlandse zaken Claude Cheysson, een van de twaalf gezanten beloofd hebben een goed woordje te doen in Bagdad zijn op een mislukking uitgelopen. Door de nood gedwongen hebben de Fransen zich nu in het Westerse kamp geschaard en hun militaire aanwezigheid in de Golf versterkt. De laatste die over de streep moest worden getrokken was minister van defensie Chevenement. Maar die is dan ook verantwoordelijk voor de instandhouding van de wapenindustrie en was bovendien vijf jaar geleden een van de oprichters van de Frans-Iraakse vriendschapsvereniging. Voor hem was de koerswijziging even slikken. Maar inmiddels is ook hij aan de gedachte gewend en het verder aanhalen van de Frans-Iraanse betrekkingen zal nu wel niet lang meer op zich laten wachten.