Een boerendochter met heksenbloed

De toneelstukken van Sam Shepard behandelen alle hetzelfde onderwerp: het gruwelijk gezinsleven. Bij Shepard kan niemand eraan ontkomen, ook al is hij volwassen en ver weg verhuisd en heeft hij alleen maar een broer of een oude moeder. Breng de mensen in contact met hun familieleden en bakken vol oud zeer worden uitgestort. Beterschap is niet mogelijk. Het verleden herleeft en iedereen glijdt weer in de rol die hij ooit vervulde. Bovendien wordt de ellende doorgegeven aan nieuwe, jonge gezinsleden. Kleinkinderen en nichtjes, ze zijn gedoemd de echo's te worden van wat hun ooms en oma's hun leven lang probeerden te overwinnen. Far North, een speelfilm die Shepard schreef en regisseerde, is geen uitzondering. Tegen de achtergrond van het platteland van Minnesota, waar de natuur zo zwaar weegt dat geen modern jong mens het er uithoudt, zijn we getuige van de neergang van een boerenfamilie. Mannen zijn er nauwelijks meer, vrouwen en dochters vullen huis en schuren en hysterie geeft de toon aan. Een bejaarde boer, de stamvader, belandt in het ziekenhuis en verwacht van zijn jongste dochter dat ze voor hem wraak zal nemen op de oorzaak van zijn ongeval: ze moet het zwarte karrepaard dat op hol sloeg mee het bos in nemen en voor hem neerschieten. Waarom zij? Het is haar laatste kans hem tevreden te stellen. Nooit heeft hij geaccepteerd dat ze een dochter is en geen zoon. Heel haar jeugd hardde hij haar als een jongen, maar geholpen heeft het niet. Ze vluchtte naar New York en werd een stadse meid. Nu is ze ook nog in verwachting en dus onmiskenbaar vrouwelijk.

Bovendien moet hij tot zijn wanhoop onder ogen zien dat ze meer op haar moeder lijkt dan op hem. Daarmee belanden we bij een ander typisch Shepard-thema: net als in de Griekse tragedies huist het kwaad in het bloed dat de familie-aderen delen. In Far North is dat Scandinavisch bloed; heksenbloed als je de oude boer moet geloven. Hij had het uit de weg moeten gaan en er niet mee moeten trouwen. Nu zit hij vast aan dat bloed, dat geelharige vrouwen met 'slit eyes' produceert, dierlijke natuur-vrouwen die samenspannen met een paard in plaats van het neer te schieten. De boer heeft angstvisioenen waarin zijn blonde dochters en kleindochter gedrieen komen aangaloppperen op de zwarte knol. Primitieve oorlogskleuren maskeren hun gezichten en accentueren hun heksenogen, schedels deinen in bossen samengebonden om hun middels, tot aan de flanken van het dier.

Die angstvisioenen zijn nog maar een voorbeeld dat aangeeft hoe weinig Shepard zich op zijn gemak voelt met filmregie. Zijn scenes zijn zonder uitzondering zwaar van toon. Ze benadrukken om de beurt en tot verstikkens toe wat de film wil zeggen. Hetzelfde geldt voor de symboliek in het verhaal en de mythische proporties die Shepard zijn figuren aanmat. Hij vertelt niet, hij ramt. Het ene betekenisvolle beeld is nog niet voorbij of een zwaar onheilszwangere metafoor in de dialoog eist de aandacht op. De acteurs worden over het speelvlak verdeeld of het filmdoek een toneelopening is en geen van allen mogen ze iets subtiels met hun spel doen. Houden ze zich in dan lijkt het een wedstrijd in ademnood, zo zwaar aangezet staan ze zich in te houden. Zelfs voor close-ups spannen ze iedere aangezichtsspier aan die ze tot hun beschikking hebben. Grote gebaren begeleiden grote woorden, grote woorden maken van elk moment een hoogtepunt en een gewichtig voortklossend melodrama is het resultaat.

Het grootste probleem van Far North zit 'm erin dat Sam Shepard verliefd is op zijn vrouw. Ze heet Jessica Lange en ze bewees in allerlei rollen dat ze een mooi filmactrice is. In deze film kloppen haar spel, haar verschijning, haar uitstraling geen seconde met haar personage, en dat alleen maar doordat Shepard het niet kan laten haar te laten schitteren. 'Wat een snoesje!' zie je hem telkens denken. Daarmee verzoet hij al zijn pijnlijk bedoelde sleutelscenes, waar de door Lange gespeelde hoofdrol nu eenmaal de sfeer van bepaalt.