Bureaucratische bravoure

DE STUDIE van ambtenaren en wetenschappers over de optimale schoolgrootte in het basisonderwijs heeft niet kunnen aantonen dat grote scholen ook betere scholen zijn. De ideale schoolgrootte is geconstrueerd vanuit abstracte beleidsdoelstellingen zoals deregulering en 'zorgverbreding'. Concrete aanwijzingen ontbreken dat een school van 500 leerlingen niet alleen voor Nederlandse begrippen zeer groot de kwaliteit van het onderwijs het beste dient. Geen wonder dat de afkeuring groot is over zoveel bureaucratische bravoure.

Getalsnormen zijn niet objectief te funderen. Het is waar dat dit ook onmogelijk wordt gemaakt in een land waar kwaliteitsmeting in het onderwijs nog in de kinderschoenen staat. Dit had de staatssecretaris echter ook kunnen bedenken toen hij opdracht tot het onderzoek gaf.

HET IS JAMMER dat de adviescommissie haar rapport niet te baat heeft genomen om eens nader uiteen te zetten wat de verschillen van de gevolgen van deregulering voor het basisonderwijs zijn in vergelijking met die voor het voortgezet en hoger onderwijs. Onrust dat deregulering zowel scholen van 100 als van 1000 leerlingen kan rechtvaardigen, had hiermee althans voor een deel weggenomen kunnen worden. Nu duikt de decentralisatie nog te vaak op als gelegenheidsargument

Tegelijk bevestigt de rapportage echter nog eens de al eerder bestaande denkbeelden dat wie doelstellingen als decentralisatie en beperking van de verwijzing naar het speciaal onderwijs serieus neemt, niet om grotere scholen heen kan. Wie scholen minder afhankelijk wil maken van Zoetermeer, en professionele begeleiding van moeilijk lerende kinderen in het regulier onderwijs wil garanderen, zal onderwijspersoneel moeten vrijmaken om die taken uit te voeren. Twee onderwijzers op een schooltje van enkele tientallen leerlingen zullen die taken nooit aankunnen, met hoeveel hart voor de zaak ook.

DE EXTRA INVESTERING die nodig is voor de uitvoering van dergelijke taken wordt bemoeilijkt door de aanhoudende krapte op de onderwijsbegroting. Dit noopt, zo stelt de commissie terecht, tot een scherpe afweging van de uitgaven hiervoor en de hoge kosten van de verzuiling. Inmiddels zijn er enkele voorstellen ontwikkeld zoals door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, die schaalvergroting en bereikbaarheid met elkaar proberen te verenigen. Dergelijke voorstellen verdienen nadere studie. De adviescommissie wijdt er in haar rapport nauwelijks woorden aan.

De leden van de adviesgroep, geen onbekenden in de onderwijsprovincie, moeten hebben geweten dat hun hoge normen het toch al goed georganiseerde verzet in ons land tegen schaalvergroting verder zouden sterken. Natuurlijk, elk advies tot schaalvergroting zou, ten dele rituele, protesten hebben uitgelokt. Het huidige voorstel bood echter de tegenstanders van schaalvergroting alle gelegenheid om te wijzen op de verregaande consequenties van de voorstellen voor het scholenbestand en daarmee de werkelijke vragen uit het rapport uit de weg te gaan.

OOK TACTISCH gezien was het rapport dan ook geen goede bijdrage aan een nieuwe fase in het debat over schaalvergroting. Of het zou moeten zijn dat het staatssecretaris Wallage alle gelegenheid biedt om zijn eigen standpunt over het rapport straks de glans van het gouden compromis te geven. Tussen de voorgestelde 250 leerlingen als opheffingsnorm en de huidige 23 op het platteland ligt in elk geval een zee van ruimte.