'T IS EEN VREEMDELING ZEKER?

Immigratie, een onderwerp dat iedere Amerikaan na aan het hart ligt, dringt zich de laatste jaren steeds meer op aan Europese landen. Vrijwel alle West-Europese landen, exclusief Nederland, hebben een slinkende bevolking: meer mensen gaan dood dan er worden geboren. Als de economie van een land inkrimpt omdat de produktiviteitsgroei niet snel genoeg gaat om de bevolkingsafname te compenseren, raakt het land in de knel. Zo'n land zou dit proces op zijn beloop kunnen laten, en dan zou het langzaam maar zeker leeglopen en uiteindelijk ophouden te bestaan. Het alternatief: laat meer immigranten toe.

Maar immigranten pakken banen af van de autochtonen; ze komen vaak uit onderontwikkelde landen en kunnen zich niet aanpassen aan de maatschappij; dat leidt tot extreem hoge werkloosheid. En dat leidt weer tot hoge kosten voor de samenleving die immers de uitkeringen moet betalen, om maar niet te praten van de hoge criminaliteit die het resultaat is van leegloperij.

Dat zijn de vooroordelen die immigratie oproept, niet alleen in Nederland maar ook in de Verenigde Staten, een land dat toch beter zou moeten weten. Maar zoals econoom (later senator) Paul Douglas al in 1919 schreef: 'Het is de gewoonte van iedere generatie om de meest recente immigranten te beschouwen als inferieur ten opzichte van eerdere groepen.'

Zelfs Benjamin Franklin was er niet immuun voor: Duitse immigranten, schreef hij, 'zijn over het algemeen de domste van hun eigen land'. Maar zoals George Borjas in zijn verfrissende boek schrijft, een aantal van deze vooroordelen is onterecht. Borjas, professor economie aan de University of California in Santa Barbara, heeft in zijn nieuwste boek een groot aantal studies bij elkaar geveegd, en waar nodig zijn eigen onderzoek gedaan. Hij is consequent eerlijk over de beperkingen van de sociale wetenschappen (die niet, zoals bij voorbeeld in de natuurkunde, waterdichte experimenten kunnen opzetten) en noemt zelf vaak aan het eind van een hoofdstuk de mogelijke bezwaren tegen zijn conclusies. Dat werkt overtuigend. Zijn boek is toegespitst op Amerikaanse immigratie, maar grote delen van zijn onderzoek zijn ook interessant voor Europese beleidsmakers die moeten nadenken over immigratiebeleid.

Mythes

Borjas begint met een paar mythes op te blazen. Wie denkt dat immigranten autochtonen uit de arbeidsmarkt drukken, zegt Borjas, maakt drie veronderstellingen. Ten eerste: dat het aantal banen nooit verandert. Ten tweede: dat immigranten en autochtonen volkomen uitwisselbaar zijn, met andere woorden dat ze precies hetzelfde werk doen. Ten derde: dat immigranten bereid zijn voor minder geld te werken dan even produktieve 'inboorlingen' (immers, anders zou een werkgever toch autochtonen aannemen?)De eerste veronderstelling is natuurlijk onzin; de tweede is al even makkelijk weerlegbaar, alleen al door het verschil in kennis van de lokale taal en gebruiken. De derde veronderstelling, zegt Borjas, zou kloppen als er systematisch werd gediscrimineerd tegen alle buitenlanders, waar ze ook vandaan komen. Daarvoor is eenvoudig geen bewijs te vinden, zegt hij. Anders gezegd: de banen die immigranten krijgen komen vrij omdat autochtonen verkiezen er niet op te solliciteren. (Een interessante vergelijking: vuilnis ophalen, in Nederland cliche-matig beschouwd als werk voor gastarbeiders, wordt in New York verricht door autochtonen, beschermd door oersterke vakbonden die ervoor zorgen dat de lonen hoog blijven en buitenstaanders moeilijk toegang krijgen.)Drukt een toevloed van immigranten het algemene loonpeil? Borjas citeert onderzoeken die vergelijkingen maakten tussen steden met een grote groep immigranten (zoals New York of Los Angeles) met steden met betrekkelijk weinig immigranten. Compenseer voor verschillen in economische groei, kosten van levensonderhoud, algemene economische trends en andere factoren, en de conclusie is: in streken waar de groep immigranten met tien procent toeneemt, neemt het inkomen van autochtonen af met maar 0,2 procent ten opzichte van de streek zonder immigranten. Zelfs jonge zwarten, algemeen beschouwd als het meest kwetsbaar in slechte economische tijden, zien hun gemiddeld inkomen afnemen met maar 0,1 procent.

Zijsprong 'Hoe komt het dat empirisch onderzoek zo in strijd is met de algemene veronderstellingen in het politieke debat', vraagt Borjas in een typische zijsprong.

Zijn vermoeden (niet verklaring): immigratie was een van de vele factoren in de toename van de arbeidsmarkt. De toename van het aantal vrouwen was veel groter: van 38 procent van de markt in 1960 tot 52 procent in 1980. In de onderzoekperiode was immigratie maar goed voor elf procent van de totale toename van de arbeidsmarkt.

Een unieke gebeurtenis in 1980 gaf sociologen materiaal voor een onderzoek. Nadat Castro in april 1980 Cubanen toestond te emigreren, arriveerden in Miami in vijf maanden tijd 125.000 Cubanen, de zogenoemde Marielito's (naar de havenstad Mariel, vanwaar zij vertrokken). In minder dan een half jaar nam de beroepsbevolking van Miami met zeven procent toe. Een studie uit 1989 concludeert dat desondanks het loonpeil en de werkloosheid onder autochtonen in 1980-1985 dezelfde trends vertoonden als in andere grote steden van het land.

Maken immigranten meer gebruik van sociale voorzieningen dan autochtonen? Dat hangt ervan af hoeveel opleiding ze hebben genoten, en of ze uit een land komen met een hoog of laag ontwikkelde economie, zegt Borjas.

Immigranten uit ontwikkelde landen verdienen meer dan uit onderontwikkelde landen - en zelfs meer dan vergelijkbare Amerikaanse autochtonen. Duitse immigranten verdienen 7,6 procent meer dan autochtonen, Griekse 10,1 procent minder, Engelsen 11,1 procent meer, Italianen 5,1 procent meer, Polen 5,1 procent minder, Chinezen 30,7 procent minder, Canadezen 15,5 procent meer, Cubanen 23,7 procent minder.

De reden? Ontwikkelde landen hebben betere schoolsystemen, zodat hun emigranten over het algemeen goed zijn opgeleid. In onderontwikkelde landen worden de schaarse mensen met een goede opleiding in hun eigen land uitstekend beloond zodat ze weinig aansporing hebben om te vertrekken.

Wordt er dan gediscrimineerd tegen Spaansprekenden, of Aziaten? Borjas heeft ontdekt dat Spaanssprekende autochtonen net zo veel verdienen als blanke, niet-Spaanssprekende autochtonen. Aziatische autochtonen verdienen gemiddeld zelfs drie procent meer dan blanken.

Werkloosheid

Immigranten uit alle landen hadden in 1980 ongeveer dezelfde werkloosheid als het landelijk gemiddelde; maar 15,2 procent leefde onder de armoedegrens, vergeleken met 11,7 procent voor de autochtone bevolking. Het percentage gezinnen waarvan tenminste een lid een of andere vorm van 'steun' trekt (9,1) was hoger dan dat onder autochtonen (acht); dat neemt toe, niet af, naarmate immigranten langer in de VS hebben gewoond.

Minder opgeleide immigranten kosten de samenleving meer dan ze opleveren, concludeert Borjas in klinisch economische termen. Hoog opgeleide immigranten verdienen meer en verhogen zo het landelijke inkomen, en maken minder gebruik van sociale voorzieningen zodat ze de samenleving minder kosten.

Hij is het niet eens met het argument dat alle immigratie goed is omdat immigranten altijd meer belasting betalen dan zij opnemen, in de vorm van sociale uitkeringen. Dat is gebaseerd op veronderstellingen die niet geverifieerd kunnen worden, zegt hij.

Een ander argument is dat laag opgeleide immigranten goedkoop werk leveren, daardoor kosten voor consumenten verlagen en voor autochtonen de ruimte scheppen om hoger opgeleid werk te doen. Ook dat valt eenvoudig niet te bewijzen, zegt Borjas. Hij vermoedt dat het tegendeel waar is. Refererend aan de Mexicanen die in de oogsttijd in Californie werken, zegt hij: 'Hebben we meer baat bij goedkopere groenten of bij goedkopere (of meer geavanceerde) electronische en technische apparatuur?' Borjas' conclusie? Amerika kan hoger opgeleide immigranten aantrekken door een puntensysteem in te stellen - zoals Canada en Australie al hebben - waarbij immigranten worden geselecteerd op kwalificaties, opleiding en toewijding. Immigratie wordt niet alleen beinvloed door het visum-beleid, maar minstens even zwaar door economisch beleid. (Borjas waagt zich niet aan non-economische factoren die een rol spelen bij immigratie.) Een land dat wil voorkomen dat immigratie op de economie drukt (in plaats van de economie te helpen) moet immigratie aantrekkelijk maken voor hoog-opgeleide buitenlanders. Dat betekent: lagere inkomstenbelastingen, lagere sociale voorzieningen, subsidies voor bepaalde bedrijfstakken. Het land kan ook de immigratie uit arme landen ontmoedigen door die landen ontwikkelingshulp te geven, unilateraal of via internationale organisaties als de Wereldbank of het IMF.

Friends or Strangers, the impact of immigrants on the U. S. economy. Auteur: George Borjas. Uitgever: Basic Books. Prijs: 60 gulden.

ISBN : 0 465 025 676.