SOFTWARE VOOR DE ONTWIKKELING VAN DATABANKEN

Aan ambitie heeft het softwarehuis Uniface bepaald geen gebrek. 'We maken hier een produkt dat zo uit Silicon Valley zou kunnen komen of uit het gebied langs Route 128 bij Boston', beweert ir. B. Douque, terwijl hij zijn blik even laat dwalen langs de glazen kantoortorens in Amsterdam-Zuidoost. Zonder aarzeling geeft hij zijn cijfers en prognoses prijs. Omzet: tien miljoen gulden in 1988, twintig miljoen in 1989. Winst? De eerste halve ton verdiende het bedrijf vorig jaar, anderhalf jaar na de introductie van Uniface's paradepaard: vierde generatie software, gericht op het ontwerpen van programmatuur voor het ontwikkelen van databanktoepassingen. Douque: 'In 1990 wordt de omzet veertig miljoen, volgend jaar tachtig en eind 1993 willen we de tweehonderd miljoen halen. En in 1994 willen we naar de beurs.' Uniface, opgericht in 1984, heeft vanaf het begin op het hoogst bereikbare gemikt, vertelt de 'president': de Europese en daarna de wereldmarkt. Het bedrijf is in zekere zin als een spin-off van Philips te beschouwen. Douque werkte lange tijd bij de computerdivisie van dit concern in Apeldoorn, waar 'alles mogelijk was'.

Zelf kon hij al in 1970 op kosten van zijn werkgever een kijkje nemen in Michigan, waar men aan de universiteit bezig was met de voorlopers van de hogere generaties computerprogrammatuur.

Toen Philips in 1976 ophield met de grote computers, stapte hij over naar het softwarehuis Infonet, een joint venture van Elsevier en VNU, die zwaar verliesgevend was. De sanering, waar Douque als directielid aan meewerkte, was succesvol, maar vervolgens besloten de beide uitgevers Infonet te verkopen aan ARC, 'een archaisch bureau dat zich bezighield met traditionele computerdienstverlening en zich middels Infonet wilde upgraden'.

Het gevolg was een 'culture clash' tussen beide bedrijven. Douque kreeg een gouden handdruk, verdween, met medeneming van zes anderen, en begon zijn eigen bedrijf. 'We wilden een bijdrage leveren aan de manier waarop software gemaakt wordt', zegt hij enigszins plechtstatig. 'De markt voor dat soort programmatuur lag open, er was niks, ook niet in de VS.'

Wat Nederland betreft: daar hield (en houdt) vrijwel geen enkel softwarehuis zich bezig met ontwikkelingswerk. Misprijzend: 'Hier heerst het syndroom van de non-innovatie. Negentig procent probeert alleen maar te pakken wat de markt biedt en beperkt zich tot bodyshoppen, het verhuren van mankracht.' Vooral programmatuur voor het ontwikkelen van databanktoepassingen - die sterk in opkomst waren - was er nauwelijks, wist hij. Een paar Amerikaanse bedrijven als Oracle en Ingres maakte wel software voor het beheer van databases, 'maar wij wilden daar overheen'.

En dat wilde zeggen: vierde generatie software gaan maken, computerprogramma's die het systeemontwerpers gemakkelijker zouden maken om zelf databanktoepassingen te ontwikkelen.

Een plek zoeken in de voorhoede van de computerprogrammatuur, niets meer en niets minder wilden Douque en de zijnen. Het geld voor de ontwikkeling daarvan kwam grotendeels uit een subsidie van het ministerie van economische zaken, dat in het kader van het Informatica Stimuleringsplan een miljoen gulden fourneerde. 'Vervolgens hebben we ons produkt eerst aan een aantal grote Europese bedrijven aangeboden, om te kijken of ze het wilden kopen.'

De potentiele klanten bleken uiterst gewillig. Binnen de kortste keren hadden zes grote ondernemingen Uniface's programmatuur aangeschaft, waaronder het chemieconcern Sandoz en Elsevier.

Toen volgde de tweede stap: het opzetten van een Europees verkoopnet. In 1987 bleek het venturefonds Gilde bereid 1,5 miljoen gulden in Uniface te steken, twee jaar later kwamen dat fonds en de MIP (Maatschappij voor Industriele Projecten) samen met nog eens twee miljoen over de brug. Met dat geld heeft het bedrijf een zware verkooporganisatie en een netwerk van distributeurs op poten gezet. Het heeft nu vestigingen in Groot-Brittannie en sinds 1 juli 1990 ook in de VS, in San Francisco, op een steenworp afstand van Silicon Valley.

Daar heeft Uniface de vice-president van een van zijn grote concurrenten (Ingres) weggekocht om een Amerikaans distributienet op te bouwen. 'In Europa, Japan, Australie en Singapore werken we met lokale distributeurs, maar dat systeem bleek in Amerika niet te werken', vertelt Douque. 'De middelgrote bureaus waarmee we daar kontakt hadden, wilden meteen wereldwijde licentierechten. We hebben toen twee kleine distributeurs gezocht, maar daar is er nog maar een van overeind. Die heeft bovendien alleen maar aan Europese bedrijven in de VS kunnen verkopen. De Amerikaanse bedrijven zijn niet zo gewend met distributeurs te werken, zij hebben liever rechtstreeks kontakt met de leverancier. Daarom hebben we maar besloten het zelf te doen.' Inmiddels heeft Uniface behalve Sandoz vrijwel de gehele grote farmaceutische industrie in Europa al als klant, en zijn er veel afnemers in de financiele wereld, waaronder de Union Bank of Switserland. Met behulp van Uniface-programmatuur heeft de London Stock Exchange een systeem opgezet voor het uitvoeren van aandelenopties.

De grote kracht van zijn eigen produkt is volgens Douque vooral dat het 'technologie-onafhankelijk' is. In vaktermen: met de Uniface-programmatuur een ontwikkelaar 'data-base en machine-onafhankelijke data-base toepassingen maken'.

Voor de leek: het doet er eigenlijk niet toe met wat voor een computer of met wat voor programmatuur je werkt, je kunt het Uniface programma altijd gebruiken. 'Veel bedrijven blijken tegenwoordig, onder andere door al die fusies en overnames, verschillende databases in huis te hebben', licht Douque toe. 'Met ons systeem heb je geen probleem met het koppelen daarvan. Toen we begonnen, hadden we met zijn zevenen 75 jaar ervaring in het bouwen van systemen, dus we wisten dat dat koppelen het probleem van de toekomst zou gaan worden.' De wereldmarkt voor dit soort ontwikkelprogrammatuur groeit snel, van een miljard dollar nu naar zo'n drie miljard over twee, drie jaar, schat Douque. 'En als je op die markt mee wilt spelen, heb je maar een mogelijkheid: een grote speler worden. Dit is geen nicheprodukt. Als je klein blijft, verdwijn je.'

Het devies is dus: zo hard groeien als de organisatie maar aankan. Nu is het spelersveld nog versnipperd, de meesten zetten niet meer dan honderd tot tweehonderd miljoen dollar om, alleen Oracle is groter. Met wat geluk en wijsheid zijn er dus nog kansen om tot de groten te gaan behoren, meent de president van Uniface. 'De kans van slagen is erg groot. Onze man in Amerika, Mike Wilson, zegt dat de reacties daar ongelooflijk zijn. Bovendien hebben we net onze eerste Japanse orders binnen. Vergeet niet: wereldwijd zijn er maar vier of vijf vergelijkbare produkten. Sinds 1984 is er eigenlijk niks nieuws op dit gebied op de markt gekomen, behalve dat van ons.' Uniface blijft zich voorlopig concentreren op de verdere uitbouw van zijn distributienet in de VS. Na San Francisco zullen vestigingen in Boston en Texas volgen. Het bedrijf is niet van plan op korte termijn compleet nieuwe produkten te ontwikkelen. 'We steken 25 procent van onze menskracht in de research en development', zegt Douque, 'maar daarbij gaat het uitsluitend om het verder bouwen aan dit produkt. Dit vakgebied is nog volop in ontwikkeling, dus er valt nog heel wat te doen.' Pas over een jaar of tien, als Uniface er - naar Douque hoopt - in is geslaagd 'een vooraanstaande plaats in de ontwikkelprogrammatuur' te hebben verworven, zal de volgend generatie computertalen het stadium van marktrijpheid gaan bereiken: de vijfde generatie, waarin de kennis van experts zal worden ingebouwd. 'Tot dan zeggen we, schoenmaker, blijf bij je leest. '