GIJZELAAR VAN BAGDAD Olie uit het Midden-Oosten onmisbaar voor Amerikaanse economie

De afgelopen jaren zijn de Verenigde Staten - ondanks de ervaringen van de eerste en tweede oliecrisis - steeds afhankelijker geworden van buitenlandse olie. De huidige Golfcrisis maakt dat pijnlijk duidelijk. Maar de grote vraag is of de Amerikanen nu wel tot zuinigheid zijn te bewegen. President Bush voelt er in ieder geval niets voor om een vergelijking op te roepen met 'slapjanus' Carter die na de tweede oliecrisis voor de tv een trui aantrok en de thermostaat in het Witte Huis lager draaide.'Lang voordat de eerste Amerikaanse soldaat landde in de Saoedische woestijn hadden de Verenigde Staten zich al overgegeven in een gevecht dat hun toenmalige president Jimmy Carter tien jaar geleden betitelde als 'het morele equivalent van oorlog', de poging om Amerika onafhankelijk te maken van geimporteerde olie.' Dat schreef een Amerikaanse krant dezer dagen. Kernachtig geeft het citaat aan hoezeer Amerika de afgelopen jaren weer steeds meer is gaan leunen op olie uit het buitenland en hoe snel de meeste Amerikanen de gevaren van zo'n afhankelijkheid waren vergeten of uit hun bewustzijn hadden verdrongen.

En, te meten aan de reacties van het ministerie van energie in Washington en van een groot deel van het Amerikaanse publiek na het uitbreken van de Golfcrisis, wordt het werkelijke gevaar van Amerika's energiesituatie nog steeds niet ten volle onderkend. Want als het niet bloedserieus was bedoeld, zou je er om kunnen lachen: automobilisten in de VS moeten ervoor zorgen dat hun banden op de juiste spanning blijven, dat kan dagelijks 100.000 vaten schelen op het olieverbruik. En ze moeten zich strikt aan de maximumsnelheid houden, hetgeen nog eens 50.000 vaten per dag kan besparen. De Amerikaanse minister van energie, James Watkins, deed deze aanbevelingen vorige week als onderdeel van een plan om, met het oog op de crisis in de Golf, de Amerikaanse afhankelijkheid van ingevoerde olie tegen het eind van dit jaar met ruim 500.000 vaten per dag te verminderen - ruim zes procent van het totaal.

De aanbevelingen doen een beetje denken aan de adviezen van het kabinet-Den Uyl ten tijde van de eerste oliecrisis om de verwarming een graadje lager te zetten, een trui aan te trekken en de gordijnen te sluiten.

Verspilling

Zeker in een land als de Verenigde Staten lijken dit soort aansporingen aan dovemansoren gericht. Amerikanen zijn zich absoluut niet bewust van de gigantische hoeveelheden energie die zij consumeren. De voorbeelden zijn bekend: ze rijden nog vaak in grote, benzineslurpende auto's, in de zomer is het in huizen en kantoren kil door een overdreven functionerende airconditioning en 's winters loeit de verwarming zodat iedereen binnen in hemdsmouwen rondloopt. De Amerikaan heeft simpelweg niet het besef dat energie schaars zou kunnen zijn of worden. De prijs van energie geeft daartoe ook geen enkele prikkel. Energie is spotgoedkoop. Benzine bij voorbeeld kost vandaag in de VS, rekening houdend met de inflatie van de afgelopen zeventien jaar, zelfs nog iets minder dan in 1973. Geen wonder dat in het 'land van overvloed' prijsverhogingen voor benzine, zoals de afgelopen weken werden doorgevoerd, tot luidruchtige protesten aanleiding geven en oliemaatschappijen, al of niet terecht, van misbruik van de crisissituatie worden beschuldigd.

Maar herinnert zich dan niemand de files voor de tankstations tijdens de tweede oliecrisis, amper tien jaar geleden? Natuurlijk wel, maar de herinnering is, na de aanvankelijke paniek, heel snel vervaagd. En de Amerikaanse overheid, en met name de regeringen-Reagan, heeft daaraan een flinke steen bijgedragen. Want onder de voorafgaande regeringen waren wel degelijk aanzetten tot een energiebesparingsbeleid gegeven. Nixon, Ford en Carter hebben alle drie omvangrijke programma's gelanceerd met fiscale maatregelen, financiele prikkels en subsidies in een poging de vraag naar import-olie te verkleinen en de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen te stimuleren.

Falen

Maar al die pogingen faalden in de jaren tachtig. President Reagan, voor wie ingrijpen in de vrije prijsvorming van energie zoiets als een vloek was, hielp een voor een alle door zijn voorganger Jimmy Carter op touw gezette projecten en programma's om zeep. Dalende olieprijzen - gevolg van de economische recessie en onenigheid binnen de Opec - sterkten Reagan en de meeste Amerikanen in het idee dat er eigenlijk met energie niets aan de hand was; olie was immers goedkoop en vloeide in overvloed.

Natuurlijk zijn de afgelopen jaren ook in de Verenigde Staten wel mensen geweest die waarschuwden tegen het uitbundige energieverbruik. Maar meestal vormden dan milieu-overwegingen het motief: het broeikas-effect, aantasting van de ozonlaag. Er zijn trouwens in de VS altijd aanhangers van alternatieve energie (zon, wind) geweest en op dat gebied is ook wel het een en ander tot stand gekomen, al hebben de te lage energieprijzen veel projecten onrendabel gemaakt. Kernenergie kreeg na Harrisburg en Tsjernobyl geen poot aan de grond, hoe de nucleaire lobby ook haar best deed. Maar van een door de federale overheid gedragen strategisch energiebeleid was geen sprake. Integendeel, de import van olie ging weer geleidelijk omhoog. Het gevolg is dat de VS nu weer terug is op het recordniveau van de olie-import uit de jaren 1977-1979. En tegelijkertijd bevindt de binnenlandse olieproduktie zich op het laagste niveau van de afgelopen 25 jaar.

Maar heeft dan niemand gewaarschuwd voor de situatie waarin de VS de 'gijzelaar' zou kunnen worden van het politiek labiele Midden-Oosten? Jazeker wel. En een van hen, James Schlesinger, onder andere minister van energie onder Jimmy Carter, heeft dat meer dan eens gedaan. Laatstelijk nog in maart van dit jaar tegenover de senaatscommissie voor energie. Het tekort aan olie in de VS, zo zei Schlesinger toen, kan door een grotere afhankelijkheid van de Golfstaten zorgen voor een nieuwe energiecrisis, met alle gevolgen van dien voor de veiligheid van het land.

Dorst

Schlesinger, thans verbonden aan het Centrum voor strategische studies van de universiteit van Georgetown, analyseerde het probleem al haarscherp in september vorig jaar op de Wereld Energie Conferentie in Montreal. Naar zijn mening zijn vooral de VS er debet aan dat de vraag naar Opec-olie de afgelopen vier jaar met veertig procent is toegenomen. Amerika's dorst naar olie is groeiende. In vier jaar is de consumptie met circa vijftien procent gestegen, zich daarbij herstellend van het relatief lage verbruik van vijftien miljoen vaten per dag in 1985 naar de piek van kort voor de tweede olieprijsschok, die van 1979-1980. In dezelfde periode is Amerika's vermogen om deze dorst uit binnenlandse bronnen te lessen, geslonken. Het gevolg: hogere olie-importen, een tendens die zich de laatste tijd versnelt, aldus de oud-minister.

Schlesinger, die ook minister van defensie en directeur van de CIA is geweest, voorspelde dat de VS in 1995 voor 65 procent (nu bijna vijftig procent) van hun behoefte aan olie afhankelijk zullen worden van importen. Amerika zou dan dagelijks elf miljoen vaten moeten importeren (nu circa acht miljoen). Volgens Schlesinger hadden de Golfstaten in maart - een kwart van de Amerikaanse importolie komt uit de vier grootste Opec-landen in de de Golf: Saoedi-Arabie, Irak, Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten - een vrijwel volledige beheersing van de oliemarkt binnen hun bereik. De voormalige energieminster wees erop dat de VS in het midden van de jaren negentig honderd miljard dollar zouden moeten uittrekken voor de financiering van hun olie-invoer. En Schlesinger ging bij die raming zeker niet uit van een crisissituatie zoals zich thans voordoet met in korte tijd een verdubbeling van de olieprijs.

Wel wees hij bij herhaling op de politieke instabiliteit van het Midden-Oosten. Schlesinger vergeleek het Midden-Oosten met een kruitvat en voorspelde dat bij het krapper worden van de oliemarkt de belangrijkste landen zich steeds haniger zouden gaan gedragen en tegelijk een steeds verleidelijker doelwit zouden vormen voor anderen. Verstoringen en onderbrekingen van het olie-aanbod door lokale conflicten lagen volgens Schlesinger voor de hand.

Reacties

Ook van de kant van de oliemaatschappijen werd gewaarschuwd voor een dreigende oliecrisis. Maar lang niet iedereen in de VS nam de waarschuwingen serieus. De Britse Petroleum Economist constateerde nog voor de annexatie van Koeweit door Irak dat de reacties op de toenemende Amerikaanse olie-importen varieerden van berusting en bezorgdheid tot regelrechte paniek. Het blad citeert directeur Bernard Picchi van Salomon Brothers die eveneens verwacht dat de VS in 1995 al voor 65 procent van import-olie afhankelijk zal zijn. Picchi voegt daar aan toe dat 'geen andere supermacht zo afhankelijk is van import-olie als wij'.

En vanuit het gezichtspunt van de Amerikaanse nationale veiligheid 'kan een aantal van onze politieke beslissingen worden gegijzeld door het commerciele en nationaal economische belang van een voldoende olie-aanvoer'. Het Amerikaanse ministerie voor energie toonde zich bezorgd, maar onderminister John Easton bleek er, tot kort voor de Koeweit-crisis, niet echt zwaar aan te tillen: 'Een aantal landen is veel afhankelijker van importen dan wij, daarom is een stijgend niveau van importen of een hoog niveau niet noodzakelijkerwijs een kwetsbaarheid'.

Andere vooraanstaande Amerikanen waren en zijn het daarmee oneens. Bennet Johnston bij voorbeeld, voorzitter van de energiecommissie van de Senaat, heeft voorgesteld 1 juli om te dopen tot 'Dag van de afhankelijkheid van geimporteerde olie'. Johnston was wel degelijk bezorgd dat de stijgende olie-invoer de economie uitzuigt en 'een zeer reeel gevaar vormt voor onze nationale veiligheid'. Saddam Hussein heeft de Amerikanen ruw wakker geschud. Maar op dit moment bestaat er nog geen grootse, eensluidende visie hoe de VS het gevaar van een grote olie-import kunnen keren. De regering-Bush blijft zich vooralsnog verzetten tegen een omvangrijke campagne voor energiebesparing, bevreesd als ze is de kiezers teveel te herinneren aan de 'slapjanus' Carter die voor de tv een trui aantrok en de thermostaat in het Witte Huis lager draaide. Meer belasting op benzine wordt eveneens als politiek onhaalbaar beschouwd en meer kernenergie stuit af op publieke angst over de onveiligheid en de afvalproblemen. Alternatieven als wind- en zonne-energie zijn pas bij een veel hogere olieprijs rendabel. Een mogelijkheid is uiteraard het opvoeren van de eigen olieproduktie, iets wat bij de prijs van dit moment 'automatisch' wel zal gebeuren. Maar oliedeskundigen verwachten hiervan geen drastische produktievergroting. Amerika is nog steeds de tweede olieproducent ter wereld met geschatte reserves van 27,2 miljard vaten in de bodem. Maar er hebben zich tot nu toe nog geen grote nieuwe olievoorkomens aangediend. En zelfs al was dat wel het geval, dan duurt het nog jaren voordat die nieuwe vondsten tot grootschalige produktie leiden.

De Amerikaanse olie-industrie ziet door de huidige crisis haar kans schoon om nieuwe gebieden voor de opsporing van olie en gas, die uit milieu-overwegingen waren geblokkeerd, te ontsluiten. Het gaat hier onder andere om een groot exploratieproject voor de kust van Californie. De regering-Bush heeft al aangekondigd dat zij in deze kwestie wil bemiddelen. Een potentieel olierijk gebied is het nationaal park in het noorden van Alaska. Het zoeken naar olie daar is, als uitvloeisel van de ramp met de tanker Exxon Valdez, verboden. Vanuit de olie-industrie gaan nu al stemmen op om dat verbod op te heffen.

Kolen

De VS bezitten grote winbare kolenreserves (268 miljoen ton), maar stimulering van het kolenverbruik stuit al gauw op milieu-bezwaren. Bijna zestig procent van alle elektricititeit in de VS wordt overigens nu al door middel van kolen opgewekt; olie zorgt nog maar voor vijf procent van alle opgewekte stroom.

De meeste mogelijkheden om de afhankelijkheid van olie te verlichten, biedt waarschijnlijk een groter aardgasgebruik. Niet alleen voor de industrie en de elektriciteitsopwekking, maar zelfs voor auto's kan gas, dat in Noord-Amerika nog in ruime mate voorhanden is, uitkomst bieden. Oliewinning uit teerzanden is een veelbelovende optie, net als brandstoffen uit bij voorbeeld granen (methanol of gewone alcohol). De fabricage van synthetische brandstoffen (bij voorbeeld uit steenkool) zou pas economisch interessant worden bij een olieprijs van ver boven de 35 dollar, vertelden deskundigen aan de Wall Street Journal.

Natuurlijk zijn er mogelijkheden voor energiebesparing te over, niet alleen door betere isolatie van huizen en zuiniger auto's. De prijsstijging voor energie zal een effect hebben op het gedrag van de Amerikaanse consument, maar over de mate waarin dat zal gebeuren, durft niemand een harde uitspraak te doen. Toch zal Amerika het voornamelijk van een vermindering van de vraag naar olieprodukten moeten hebben.

Vertegenwoordigers van het ministerie van energie beklemtonen dat ze de burgers niet kunnen dwingen tot aanpassing van hun levensstijl. En de voornaamste aanpassing zal zich, om effectief te zijn, moeten voltrekken bij het autogebruik. Hierbij moet worden bedacht dat Amerikanen veel meer van de auto afhankelijk zijn dan bij voorbeeld Europeanen omdat het openbaar vervoer in de Verenigde Staten veel minder is ontwikkeld dan hier. Het verkeer neemt tweederde van het Amerikaanse olieverbruik voor zijn rekening, en het grootste deel (bijna zeventig procent) daarvan wordt geconsumeerd in de vorm van benzine.

En het gaat niet goed met dat benzineverbruik. Volgens het weekblad Business Week reden de Amerikaanse automobilisten vorig jaar samen twee biljoen mijl, 2,8 procent meer dan in 1988. Bovendien steeg het gemiddeld benzineverbruik van nieuw gekochte auto's voor het eerst sinds 1983, door de vraag naar grotere auto's. In 1988 reed de gemiddelde auto nog 28,7 mijl op een gallon; vorig jaar was dat 28,3 mijl (ruim 12,3 kilometer op een liter). Er staat een nieuwe wet op stapel die voorschrijft dat auto's in het jaar 2000 minimaal 40 mijl per gallon (17,4 km per liter) moeten kunnen rijden, een maatregel die tezijnertijd een besparing van 2,4 miljoen vaten olie per dag moet opleveren. Maar het is nog maar helemaal de vraag of dit plan na de Senaat, die er nu waarschijnlijk wel mee akkoord gaat, ook het Huis van Afgevaardigden zal kunnen passeren. De voorzitter van de energiecommissie van het Huis, John D. Dingeill, is afkomstig uit Michigan en de grote autofabrikanten uit Detroit en omgeving zien het fabriceren van uitsluitend kleine, zuinige wagens helemaal niet zitten.

De meest effectieve manier om de vraag naar benzine in te dammen zou een verhoging van de benzine-accijns zijn. Die accijns bedraagt momenteel slechts negen dollarcent per gallon (3,7 liter), aanzienlijk minder dan in de meeste andere geindustrialiseerde landen. Maar de kans op een verhoging van de belasting op benzine wordt uitermate gering geacht omdat die politiek zeer slecht te verkopen valt in een jaar waarin het hele Huis van Afgevaardigden en een derde deel van de Senaat moet worden herkozen. Waarschijnlijk zal daarom een serieuze discussie over zo'n belastingverhoging of over een heffing op geimporteerde olie tot volgend jaar worden uitgesteld. Dan zal trouwens ook het de laatste tijd ernstig bekritiseerde ministerie van energie zijn lang beloofde Nationale Energie Strategie moeten publiceren.

De belangrijkste gebeurtenissen die van invloed waren op het Amerikaanse energiebeleid sinds de oliecrisis van 1973:

oktober 1973 De olie-export naar de VS wordt geblokkeerd vanwege steun aan Israel tijdens de Yom Kippour-oorlog. november 1973 president Nixon verleent toestemming voor de aanleg van de Trans-Alaska Pijpleiding.

Nixon kondigt het project 'Independence' aan, erop gericht de VS in de jaren tachtig op energiegebied zelfvoorzienend te maken.

december 1973 het Congres aanvaardt een systeem van zomer en wintertijd met het oog op energiebesparing en verlaagt de maximumsnelheid op autowegen tot 55 mijl.

maart 1974einde van het olie-embargo nadat de VS volgens Arabische landen hun 'goede wil' hebben getoond door aan te dringen op Israels terugtrekking uit tijdens de oktoberoorlog bezette gebieden.

augustus 1974 president Ford keurt een demonstratieproject voor commerciele toepassing van zonne-energie goed. Vier maanden later geeft hij zijn fiat aan een programma om deontwikkeling en commerciele toepassing van geavanceerde zonne-energie te versnellen.

1975 de Energy Policy and Conservation Act geeft federale normen voor het brandstofverbruik van auto's.

juni 1977 de eerste olie gaat door de Alaska-pijpleiding.

augustus 1977 James Schlesinger wordt (onder Carter) de eerste Amerikaanse minister van energie.

1978 woning-isolatie en andere energiebesparende investeringen worden aftrekbaar voor de belasting.

juli 1979 president Carter kondigt aan de olie-import voor 1979 beperken tot onder het niveau van 1977.

juli 1980 president Carter keurt een programma goed van 20 miljard dollar voor energiesubsidies. Het grootste deel gaat naar bedrijven die synthetische vloebare brandstoffen proberen te maken. Het meeste geld is door Carters opvolger Reagan nooit uitgegeven.

januari 1981 president Reagan dereguleert de binnenlandse oliemarkt daardoor kan de prijs van Amerikaanse olie voor het eerst sinds 1971 weer de prijs op de wereldmarkt volgen.

1985 het Congres maakt een eind aan de aftrekbaarheid van de kosten voor energiebesparing in woningen.

december 1985 president Reagan tekent een wet waarbij de US Synthetic Fuels Corporation wordt ontmanteld.