Feiten in advies over basisscholen 'niet keihard'

DEN HAAG, 22 aug. Het rapport lijkt gedegen, de conclusies onderbouwd. Toch noemt een van de wetenschappers in de adviescommissie die staatssecretaris Wallage (onderwijs) gisteren voorhield dat een goede basisschool ongeveer 500 leerlingen moet tellen, het feitenmateriaal waarop het rapport zich baseert 'beperkt.' De redenering die de commissie tot het aantal van 500 leerlingen heeft gebracht is volgens dr. N. A. J. Lagerweij, hoogleraar in de onderwijs-innovatie aan de universiteit van Utrecht, 'niet keihard'.

Een school met een dergelijke grootte kan volgens het rapport zestien onderwijzers in dienst hebben, twee voor elke jaargroep. Ieder van hen kan met zijn collega van de parallelgroep samenwerken, ze kunnen elkaar vervangen en gezamenlijk groepswerk voor beide klassen ontwikkelen.

Het onderwijs zou hiermee volgens de commissie temeer gebaat zijn omdat zo het combineren van klassen kan worden voorkomen. Het samenvoegen van groepen leerlingen met grote onderlinge niveauverschillen in een klas zou slecht zijn voor de leerprestaties. Zo'n relatie tussen 'combinatieklassen' en schoolprestaties is echter wel onderzocht, maar nooit aangetoond. Lagerweij: 'Het voordeel is wel dat een leraar in ons voorstel meer aandacht aan een homogenere groep kinderen kan geven. Anderzijds is het ook weer zo dat leerlingen in een combinatieklas zelfstandiger leren werken.' Een schoolgrootte van 500 biedt bovendien de ruimte om naast de zestien leerkrachten nog vier andere personeelsleden aan te stellen. Deze kunnen worden betaald uit de 700 miljoen gulden die volgens de commissie opheffing van alle basisscholen onder de 250 leerlingen zal opbrengen. Het extra personeel kan worden gebruikt voor begeleiding van moeilijk lerende kinderen en het ontwikkelen van systemen waarin de verrichtingen van de kinderen worden gevolgd en geanalyseerd.

Lagerweij noemt dit van groot belang voor het bereiken van een van de doelstellingen van het huidige onderwijsbeleid: het terugdringen van de sterk toegenomen doorverwijzing van moeilijk lerende kinderen naar het speciaal onderwijs.

Hoe hachelijk een dergelijke veronderstelling echter is, blijkt uit hetzelfde rapport: grote scholen verwijzen juist iets meer naar het speciaal onderwijs dan kleine. De commissie verklaart deze paradox uit het feit dat in het huidige bekostigingsstelsel grote scholen in hun financiele mogelijkheden worden beperkt en dus niet de middelen hebben om de verwijzing te beperken. Daardoor mag het volgens de commissie eigenlijk een wonder heten dat de verschillen niet nog groter zijn. 'De grote scholen die wij voor ons zien, bestaan nog niet. Daarom is het leveren van empirische gegevens zo moeilijk', zegt Lagerweij.

Onder de vier extra, van lesgeven vrijgestelde personeelsleden bevindt zich in het ideaalbeeld van de adviesgroep ook een directeur. In plaats van voor de klas te staan, zoals nu nog gebruikelijk is, kan die zich volledig gaan wijden aan het managen van de school: personeelsbeleid, financiele zaken en het coordineren van de interne kwaliteitsbewaking. Alleen zo heeft een basisschool volgens Lagerweij de mogelijkheden om 'een eigen koers te varen in een tijd van deregulering. Kleine scholen zijn wat dat betreft toch wat beperkt in hun mogelijkheden'. De CITO-toetsen in lezen en rekenen waarmee leerlingen van kleine scholen lager zouden scoren dan die van grote scholen noemt Lagerweij redelijk betrouwbaar. Hij beseft echter ook dat er veel haken en ogen zitten aan het leggen van verbanden tussen prestaties en schoolgrootte. Zo zijn in het CITO-onderzoek niet alle andere factoren geneutraliseerd die volgens statistici de schoolprestaties beinvloeden, zoals de intelligentie van leerlingen en de urbanisatiegraad. Hoogstens kan dan gesproken worden van een samenhang tusen de schoolprestaties en schoolgrootte, nog niet van een oorzakelijk verband.

Ondanks het gebrek aan harde gegevens heeft het rapport volgens Lagerweij gezien de eisen die de overheid aan de toekomstige basisschool stelt voldoende plausibel gemaakt dat een fikse schaalvergroting noodzakelijk is. 'Als je als wetenschapper alleen met empirische gegevens werkt, was de atoombom ook nooit uitgevonden. Redeneringen vanuit bepaalde beleidsdoelstellingen en creativiteit spelen net zo goed een rol.' De 'fall-out' van het rapport in de vorm van heftige afwijzende reacties vindt * echter wel erg groot. Haags beleid als deregulering en 'zorgverbreding' staan vaak ver af van het grote publiek, constateert hij. Veel ouders hebben liever een school dicht bij huis en zijn al snel bang voor ontheemding van hun kinderen in een grote school. 'Het zijn dezelfde angsten waarom ouders hun knappe kinderen niet naar een middenschool sturen. Hen overtuigen dat ook iets anders waar kan zijn, is heel moeilijk', aldus Lagerweij.