De mooiste rug uit de kunstgeschiedenis

Een mollig ventje is de pasgeboren Achilles. Als hij in de rivier de Styx wordt gedoopt om hem onkwetsbaar te maken trekt hij een lodderig beentje op in protest. Maar zijn moeder Thetis, door Rubens in olieverf op paneel geschetst, heeft een van de mooiste ruggen uit de kunstgeschiedenis. Het licht van de fakkel, waarmee een schikgodin haar bijlicht, weerkaast en gloeit op haar smakelijke ronde schouders. Haar wangen zijn rood van het vooroverbukken. Haar blik drukt schrik uit, want zij heeft juist van het orakel gehoord dat haar zoon in de bloei van zijn leven zal sterven. Op de omlijsting van dit ontwerp voor een wandkleed, een van de zeven over het leven van Achilles die Rubens rond 1630 maakte, staan twee Hermes-figuren. Hun gezichten weerspiegelen de angst en droefheid die Achilles' moeder moet voelen.

De Achilles-serie is het pronkstuk van de verzameling zeventiende-eeuwse Vlaamse schilderkunst van Museum Boymans-van Beuningen. Tot 11 november is zij daar te zien op de tentoonstelling Rubens en zijn tijd. Voor de vierde keer heeft het museum een expositie ingericht met werken uit de eigen collectie oude schilderkunst. In de catalogus zijn alle 53 geexposeerde (en nog eens 21 niet-geexposeerde) Vlaamse werken opnieuw stijlkritisch doorgelicht en beschreven. Dit is een nieuwe stap in het vooronderzoek voor een nieuwe wetenschappelijke catalogus van de hele collectie oude schilderkunst, die pas over jaren zal kunnen verschijnen. Een lofwaardige aanpak, omdat zij het museum een kans geeft om met twee vliegen in een klap uit het dilemma te geraken waarin zoveel musea zitten: hoe moet je je wetenschappelijke administratie bijwerken terwijl je ook onder druk staat om steeds nieuwe tentoonstellingen te organiseren? Volgens conservator Guido Jansen heeft de speciaal voor deze deel-inventarisatie aangetrokken Vlaamse Rubens-specialiste Nora de Poorter alle Rubensen 'goddank' goedgekeurd. De Poorter heeft ook de grootste bijdrage aan de catalogus geleverd. Zij deed dat op een heldere en zakelijke manier. Alleen bij Rubens' Avondlandschap met een boerenkar krijgt de lyriek even de overhand: zij noemt het een 'briljante evocatie' van een 'idyllisch landschap, dat nauwelijks door de mens schijnt te zijn beroerd'. De rijdende boerenkar, rechts vooraan, lijkt me echter een nogal luidruchtige uiting van menselijke activiteit. Even verderop schrijft zij dat Rubens' 'rustieke interesse zich manifesteerde in de aankoop van zijn buitenverblijven en in het ontstaan van zijn Brabantse landschappen'.

De buitenverblijven, zoals kasteel Steen, zal Sir Peter Paul echter veeleer hebben gekocht omdat hij het aan zijn recent verworven adellijke stand verplicht was. Wat de rustieke interesse voor zijn Brabantse landschappen betreft: Constantijn Huygens schrijft in zijn autobiografie over Rubens onder meer dat deze 'onlangs door de pest, die in de stad heerste, naar een buitenverblijf was gedreven, [waar hij zich met] vruchtbaarheid en gratie op landschapjes toelegde'. Bijna de helft van de tentoonstelling bestaat uit olieverfschetsen van Rubens. Deze schetsen, die zijn virtuositeit misschien nog wel beter tonen dan zijn afgewerkte doeken waaraan meestal ook talloze anderen meewerkten behoren tot het beste wat zich van hem in Nederland bevindt. Voor wie een overzicht zoekt van zijn oeuvre zouden ze echter een nogal eenzijdige indruk geven. Een magistraal altaarstuk, een wulps vrouwenportret of een historiestuk van een wat royaler formaat is er in de collectie van Boymans bijvoorbeeld niet te vinden. Van Rubens' 'beste leerling' Anthonie van Dyck zijn in Rotterdam drie werken aanwezig, waaronder een prachtig geschilderde Sint Hieronymus. Ook van de derde Vlaamse grootmeester uit die periode, Jacob Jordaens, bezit Boymans vier stukken. Maar voor een van de belangrijkste collecties zeventiende-eeuwse Vlaamse schilderkunst in ons land is het museum toch eigenlijk nogal krap voorzien van topstukken, zeker omdat de genoemde werken niet allemaal van eerste kwaliteit zijn.

De stichter van het museum, F. J. O. Boymans, heeft rond 1800 wel degelijk goede Vlaamse kunst verzameld. Een groot deel van de toeschrijvingen bleek later echter onhoudbaar. Bovendien ging een deel van de Vlaamse collectie bij een brand in 1864 verloren. De verliezen werden niet gecompenseerd omdat de belangstelling voor niet-Nederlandse schilderkunst aan het einde van de vorige eeuw hier uitermate gering was. Het is dus nog een geluk dat de Duitse kunstverzamelaar Konigs en de Rotterdamse industrieel Van Beuningen het museum in de eerste helft van deze eeuw zo'n fraaie collectie schetsen van Rubens bezorgden. De Rubens-schetsen, en de meeste van de reeds besproken werken, zijn doorgaans overigens ook al als onderdeel van de vaste collectie te bezichtigen. Dat geldt niet voor de Mercurius en Battus van Jacob Jordaens, die het museum van de Rijksdienst voor Beeldende Kunst in langdurig bruikleen kreeg. Twee andere monumentale doeken uit het atelier van Jordaens, die voorheen aan de Rotterdamse Paradijskerk waren uitgeleend, zijn weer aan de eigen collectie toegevoegd. Ze wachten echter node op een restauratie.

Maar de meeste niet permanent geexposeerde werken op deze tentoonstelling zijn van meesters van het tweede garnituur. Zo is er een curieus, vroeg zeestuk van Frederick van Valckenborch. Het toont een nachtelijk kustlandschap, waarin schepen vergaan en drenkelingen naar het strand waden. De bliksem levert een spookachtige belichting, die zachte pastelkleuren tevoorschijn tovert. Ook is er een uiterst stijve Italiaanse dame, geschilderd door Justus Sustermans. Aangezien Sustermans zijn werkzame leven aan het Florentijnse hof doorbracht en portretten schilderde volgens de Florentijnse normen, zou men hem echter met evenveel recht tot de Italiaanse als tot de Vlaamse school kunnen rekenen.

Tentoonstelling: Rubens en zijn tijd. Museum Boymans-van Beuningen Rotterdam, t/m 11/11. Catalogus fl.47,50.