Rattepis

De nieuwe Zoogdier is actueel, hetgeen bij kwartaaltijdschriften die hoofdzakelijk op enthousiaste vrijwilligers drijven een zeldzaamheid is. Achter de titel van het openingsartikel 'Leptospirose gevaar voor de mens' gaat een gedetailleerd artikel over de Ziekte van Weil schuil, waar op het ogenblik waarschijnlijk een dertigtal waterrecreanten in of op de Spokeplas bij Noordwolde het slachtoffer van zijn. In het verhaal daarna, over das en bodembeheer, komt een langdurige droogteperiode als bedreiging voor de das aan de orde. De regenworm, de naam zegt het al, is dan niet meer actief en de das blijft daardoor verstoken van zijn stapelvoedsel. Dat woord staat niet in Van Dale, maar wel in zoogdier ten teken dat het echt een blad voor liefhebbers is. De bioloog ter redactie wist onmiddellijk dat het stapelvoedsel de eenzijdige voedingsbron is waar een organisme zijn meeste calorieen uit haalt.

Leptospirosen zijn de ziekten die worden veroorzaakt door leptospiren. Dat zijn kurketrekkervormige bacterien van de familie der Spirochaetaceae. De Ziekte van Weil, maar ook de zogenaamde modderkoorts en melkerskoorts behoren tot de leptospirosen.

Zoogdieren zijn de gastheren van de leptospiren. In Nederland zijn het vooral rat en rund die ziekten op de mens overbrengen. De ziekte van Weil wordt veroorzaakt door stammen van Leptospira icteroheamorrhagia of L. copenhageni. Een mildere ziekte wordt veroorzaakt door L. grippothyposa, een stam die ook in knaagdieren leeft. Koeien zijn drager van L. hardjo. Het zal dus geen verbazing wekken dat een hardjo-infectie melkerskoorts veroorzaakt. De ziekte komt in Nederland steeds vaker voor en verloopt mild. Veel mensen zullen zelfs niet merken dat ze een hardjo-besmetting doormaken ze zijn hoogstens een paar dagen koortsig. Veel mensen die regelmatig met koeien in aanraking komen hebben antilichamen tegen L. hardjo in hun bloed, een teken dat ze een infectie met de bacterie hebben doorgemaakt.

De leptospiren leven voornamelijk in de nieren van hun gastheren, komen in de urine mee naar buiten en vormen zo een ontstekingsbron. De ziekteverwekkers L. icteroheamorrhagia en copenhagini, veroorzakers van de ziekte van Weil, zijn gevonden in egels, woelratten, muskusratten, bruine en zwarte ratten, dakratten, huismuizen, bos- en dwergmuizen en bij beverratten. Het aantal dieren in een populatie dat is besmet verschilt per regio, behalve bij de bruine en zwarte ratten, waarvan steeds 30 tot 50 procent besmet is. De variant L. grippotyphosa, veroorzaker van de over het algemeen mild verlopende modderkoorts, is gevonden in bosspitsmuizen, hamsters, rosse en Noordse woelmuizen, woelratten, muskusratten, veld- en aard-, brand-, dwerg- en bosmuizen en in grote bosmuizen. De informatie komt overigens voornamelijk uit ons omringende landen. In Nederland zijn alleen bruine rat, veldmuis, egel en muskusrat op leptospiren onderzocht. En in ons land zijn waarschijnlijk alleen de veldmuis en de bruine rat belangrijke infectiebronnen.

Bij het vangen van deze knaagdieren en insekteneters, iets waar lezers van Zoogdier zich kennelijk nog wel eens aan bezondigen, verdient het aanbeveling enkele voorzorgsmaatregelen te treffen. Rubberlaarzen en plastic handschoenen minimaliseren de kans op besmetting; wondjes kan men het best afdichten met een voor vocht ondoordringbare pleister; vermijdt contact met de urine, gebeurt dat toch spoel dan onmiddellijk met water en ontsmet eventueel met jodium. Houdt tenslotte penis of vulva van de dieren niet in de richting van het gezicht.

Wie minder enthousiast wilde ratten en muizen hanteert loopt weinig gevaar op een besmetting. Tussen 1981 en 1987 werd van 175 mensen bekend dat ze een leptospirose opliepen. Daar waren 94 gevallen van de ziekte van Weil bij, veroorzaakt door L. icterohaemorrhagia of L. copenhagi. De oorzaken van die infecties, voorzover te achterhalen, waren waterrecreatie, beroepsuitoefening (landbouwers, rioolwerkers, muskusrattenvangers, slachthuispersoneel) of ongelukken waarbij de slachtoffers te water waren geraakt.

Vroeger, maar dat staat niet in Zoogdier, kwam de ziekte van Weil vooral bij mannen voor. Men dacht zelfs dat een genetische factor op de geslachtschromosomen daar verantwoordelijk zou zijn. Met de komst van het elektrisch scheerapparaat verdween de voorkeur voor mannen die de leptospiren aan de dag legden echter. De verklaring was toen snel gevonden. Mannen die zich met het mes scheren en met de kleine huidwondjes op hun kin gaan zwemmen in een door rattepis met leptospiren besmette plas, klieven met hun beschadigde kin het water precies aan het wateroppervlak, waar de bacterien zich met moeite in leven houden. De besmetting is dan snel een feit.

De andere verhalen in Zoogdier zijn net zo feitelijk als het spirochetenverhaal. De tekst is gedocumenteerd met literatuurverwijzingen, wanneer er plaatsaanduidingen voorkomen is er steeds een kaartje afgedrukt. Vaak worden de lezers opgeroepen mee te werken aan onderzoek: gevonden dode dieren diepgevroren opsturen naar het Rijksinstituut voor Natuurbeheer. De stijl is droog, maar de auteurs zijn betrokken met de in het wild levende zoogdieren. De Belgische 76-jarige otterjager Albert Vandamme krijgt echter zonder afkeurend commentaar de gelegenheid om te vertellen hoe hij vroeger otters verschalkte. Eenmaal slechts lukte het hem met een klem: ' Het was een afgrijselijk zicht. De otter zat volledig onder de modder en had rondom de klem een spoor van vernieling getrokken. De vegetatie lag volledig plat en rondom hem had hij de grond flink omgewoeld. Ik had alle moeite om het furieuze dier met een kogel af te maken.'

Die kogel moest door de kop. Om de pels niet te beschadigen.

Zoogdier, jaargang 1 nummer 2. Uitgave van de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (tel. 085-515069) en de Nationale Campagne Bescherming Roofdieren (tel. 091-837352). Kwartaalschrift. Abonnement fl.22,50 per jaar.