Oorlog

Als er ergens een oorlog dreigt uit te breken stroomt het volk de straten op en viert feest. Zolang het er naar uitziet dat hij gewonnen kan worden, tenminste. Je leest beschrijvingen van de geestdrift bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Vrolijke mensenmenigten in Berlijn, Parijs en Londen. Onbegrijpelijk, denk je. Je weet wat er later gebeurd is. Dat hadden ze toen toch ook wel kunnen bedenken. Blijkbaar niet. Later is het ook steeds zo gegaan. Een land begint een oorlog, de bevolking juicht. Of misschien lijkt het maar zo en worden de voorstanders van de oorlog zo fris en energiek dat de anderen minder opvallen.

Er werden gesprekken gevoerd over militaire strategie. Opeens hoorde je overal praten over tanks, zand, overwicht in de lucht, de rol van de marine. Erg leerzaam kunnen die gesprekken niet zijn geweest, over een onderwerp waar niemand verstand van heeft en iedereen alleen na kan praten wat hij net in de kranten heeft gelezen. Niettemin klonk er vrolijke opgewondenheid in de gesprekken en bijna iedereen deed een duit in het zakje.

In Nederland valt het trouwens nogal mee. Zijn we nu echt in een oorlog betrokken, vroeg de televisie-presentatrice aan de minister-president. Half lachend, met ongelovige verbazing, alsof het ondenkbaar is en de laatste Nederlandse oorlog, van bijna dertig jaar geleden, al zo ver in het verleden ligt dat geen televisiekijker het zich meer kan herinneren. Oorlog, hopelijk niet, zei de minister-president ernstig. Toezicht op naleving van een handelsembargo. Juist om oorlog te vermijden. We knikten instemmend. Het is maar goed dat onze regering niet uit houwdegens bestaat. Zelfs de traditioneel krijgshaftigste krant van Nederland ziet oorlog nog als een dreigend gevaar dat moedig onder ogen moet worden gezien, maar niet actief nagestreefd.

Een heel ander beeld gaf zondag de Engelse Sunday Times. Een ware cultuurschok. Ik schrok. Het hoofdartikel hamerde het er in. Economische sancties waren voor slappelingen en aarzelaars. Zelfs de bevrijding van Koeweit was een te beperkt doel. Alleen de val van de leider van Irak en de vernietiging van zijn militaire macht was voldoende. Daarna wachtte een mooie toekomst: 'Er is in de samenwerking van de supermachten het begin van een nieuwe wereldorde die democratie en economisch liberalisme nog verder zal verbreiden. Het enige dat in de weg staat zijn Saddam en zijn soort. ' Een simpele geest. Het was niet de ferme taal van het hoofdartikel dat me bang maakte, maar de ondersteunende reportages die moesten bewijzen dat de Amerikaanse president er net zo over dacht. Hoge regeringsfunctionarissen werden aangehaald om duidelijk te maken dat het besluit al een week geleden genomen was. Eerst nog een paar weken troepen aanvliegen. Dan een grote oorlog. Het beste was het als Irak zou beginnen, maar als dat niet zo zou zijn moest een aanleiding gevonden worden. Dat zou niet moeilijk zijn.

Het was een zeldzaam oorlogszuchtige krant, waarin geschreven werd over het 'gezonde wantrouwen' dat militairen over het algemeen tegenover politici hebben. Dit gezonde wantrouwen was nu verdwenen. De militairen waren niet bang meer dat de politici hen dwars zouden zitten. In het Pentagon vonden de berichtgevers van de Sunday Times nu alleen vermoeide maar tevreden gezichten. De krant nam de gelegenheid waar om concurrent Observer te honen omdat die in 1956 tegen de militaire actie bij het Suezkanaal was geweest. Al die tijd heeft niemand er aan getwijfeld dat dat heel verstandig van de Observer was, maar in een tijd van crisis gelden andere maatstaven. De agressieve ijzervreter voelt zich nu weer superieur en acht de tijd gekomen om een oude rekening te vereffenen.

De verslaggeverij van de Sunday Times heeft niet meer de goede reputatie van vroeger. Misschien was de wens wel de vader van de gedachte. Ik hoop het, maar de andere Engelse bladen gaven, iets minder enthousiast, dezelfde indruk. Henry Kissinger schreef een artikel waarin hij, in beschaafder taal en met een slag om de arm, ('ik ben maar een buitenstaander') hetzelfde aanbeval als de Sunday Times. Ook hij was van mening dat het besluit in feite al genomen was, er was geen weg terug meer. En onze militaire expert Berkhof leek op de televisie ook al lang vergeten dat het nog maar kort geleden om een handelsverbod ging. Hij sprak over het bombarderen van bruggen, fabrieken en elektriciteitscentrales. Was dat wel de bedoeling van de Nederlandse regering toen ze de schepen wegstuurde? Het is in ieder geval niet meegedeeld.

Er is een boek waarin het zo beschreven staat dat je het niet meer vergeet. Er marcheert een colonne soldaten, met muziek en voorop gaat een kolonel op een paard, hij ziet er leuk uit. De hoofdpersoon gaat er achter aan, min of meer voor de grap. Er staan veel goede vaderlanders langs de weg, die juichen en bloemen gooien. Naarmate er verder wordt gemarcheerd staan er steeds minder mensen langs de weg, dan helemaal niet meer. De hoofdpersoon vindt het niet leuk meer, hij wil weg, maar hij is te laat, de poort is achter hem gesloten. Zo beschrijft Celine het in Reis naar het einde van de nacht. Bij hem is het de kleine man achter wie de poort is dichtgevallen. De vrijwilligers op de schepen, die een dag de gelegenheid hadden om te weigeren, maar het niet deden, omdat ze banger waren voor hun vrienden dan voor de dood.

Je kan je voorstellen dat sommige politici nu ook het gevoel hebben dat de deur achter hen dicht is gegaan. Het zou voor de hand liggen dat er vragen in de Kamer werden gesteld. Is het de regering bekend dat er wordt bericht dat Amerika binnen een paar weken een grote aanvalsoorlog wil beginnen? Is de regering het hiermee eens? Doet Nederland aan deze oorlog mee, of zegt de regering dat we een eindje meegevaren zijn, maar er nu toch vanaf zien. Het zou harteloos en niet vaderlandslievend zijn die vragen te stellen. De regering zou er geen antwoord op geven. Ze zou het niet kunnen en er zou geen belang mee gediend zijn, want terug gaan kan toch niet meer. Ze kan niet veel anders doen dan het in het midden laten en het beste hopen. De poort naar buiten is dicht.