In de voetsporen van Ernest Claes: 'Ik heb geen rust'

Soms vraagt zijn vrouw of hij met haar of met Ernest Claes is getrouwd. De 51-jarige Jan van Hemelryck uit Winksele bij Leuven is waarschijnlijk een van de grootste bewonderaars van de beroemde en ook omstreden Vlaamse schrijver, die de meeste bekendheid verwierf met zijn schelmenroman De Witte (100 herdrukken). In de kelder onder zijn huis aan de Brusselsesteenweg heeft Van Hemelryck een archief waar onder meer Claes' manuscripten liggen. Het zijn schoolschriftjes waarin hij zijn romans en novellen opschreef. Op de deur zit het geemailleerde naamplaatje, dat op het huis van Claes in de Poststraat te Brussel zat. Daar ook staat de fauteuil waarin hij schreef. Er is zelfs de kogel te vinden waarmee hij in de Eerste Wereldoorlog als officier van het Belgische leger werd verwond.

Het bezoek aan Van Hemelryck is het einde van een tocht door Vlaams Brabant. Die was begonnen in Zichem, waar Claes in 1885 was geboren. Aan wat nu de Ernest Claesstraat heet, staat een eenvoudige boerenwoning, die is ingericht als museum. De weg erheen is niet gemakkelijk te vinden. De aanwijzing is voor een groot deel verborgen achter de richtingborden naar plaatsen als Aarschot en Scherpenheuvel. Men zou er zekere symboliek in kunnen zien: Vlaanderen lijkt zijn meest gelezen schrijver te zijn vergeten. Zijn boeken worden, behoudens door het Ernest Claesgenootschap, waarvan Van Hemelryck de bezielende kracht is, niet meer herdrukt.

Boeren-epiek

Van Hemelryck, leraar Nederlands, Engels en Frans aan een middelbare technische school, leest zijn leerlingen wel eens voor uit het oeuvre, dat een zestigtal boeken omvat. Maar dat valt bij de meesten van zijn collega's niet in goede aarde. 'Ze beschouwen het als boeren-epiek. Er zijn leerlingen, die er door geboeid worden, maar die tegen me zeggen: ik durf 't niet te lezen uit angst door mijn kameraden te worden uitgelachen. Maar Claes schreef wel degelijk literatuur.'

Het museum in Zichem is een teleurstelling. Een behoorlijke documentatie ontbreekt. Er is zelfs geen folder, waarin iets over Claes wordt verteld. De toevallig aanwezige conservator straalt weinig gedrevenheid uit. Het noemen van de naam van Van Hemelryck veroorzaakt zo waar lichte irritatie.

Tot 1981 bestierden Van Hemelryck en zijn vrouw het museum. Van Hemelryck had het geboortehuis van Claes op een openbare verkoping gekocht. 'In onze tijd stonden overal bloemen op de tafels. En 's avonds brandden we er kaarsen. Het huis was altijd goed gekuist. Het koper blonk als een spiegel. We hielden er wisseltentoonstellingen', vertelt Van Hemelrijck. Er kwamen in die tijd 60.000 bezoekers per jaar, nu nog zo'n 20.000. 'De grote aanloop begon ons boven het hoofd te groeien. Toen het provinciebestuur dan ook voorstelde om het huis te kopen, gingen we daar na lang gepeins op in. Er werd me beloofd dat ik als conservator zou mogen aanblijven, maar zodra de handtekening voor de verkoop gezet werd die belofte gebroken', aldus Van Hemelryck.

Van Hemelryck nam het grootste deel van het archief mee naar zijn nieuwe huis in Winksele. Volgens zijn eigen zeggen omdat de familie Claes dat uitdrukkelijk zo wenste. Een veel kleiner deel is terechtgekomen in het Archief en museum voor Vlaams cultuurleven in Antwerpen.

Meiskes

Na het museum volgt haast onvermijdelijk een bezoek aan de Norbertijnerabdij van Averbode, die er op steenworp vandaan ligt. Op het kerkhof aan de voet van de majestueuze barokken kerk ligt Ernest Claes begraven. Op de grafsteen staat 'Deus est amor'.

Dank zij de toenmalige leiding van de abdij kon Claes aan het gymnasium van Herentals gaan studeren en later aan de Leuvense universiteit zijn studie in de Germaanse filologie volgen. In 1910 promoveerde hij met een proefschrift over het proza van Potgieter, wiens verzameld werk nu in het archief van Van Hemelryck is terug te vinden.

Met de abdij van Averbode zou Claes altijd bijzondere banden houden. Nu houdt het Ernest Claes Genootschap er de jaarvergaderingen. De abt koesterde lange tijd de illusie dat Claes er als monnik zou intreden, maar in een gesprek onder vier ogen zou hij hebben gezegd: 'Daarvoor zie ik de meiskes te graag.' Na Averbode gaat het dwars door het heuvelachtige en door de droogte verschroeide Brabantse land, waar het naar hooi en mais ruikt, naar Van Hemelryck. 'U zijt welgekomen', zegt hij aan de deur van zijn bungalow. In een hoek van de kamer staat het bronzen beeld van De Witte. Aan de muren hangen schilderijen, die van Claes waren. Op vele plaatsen is zijn beeltenis te zien, onder meer en profil met zijn markante vooruitstekende sik en zijn zwierige hoed.

Zonder dat hem er om wordt gevraagd, begint Van Hemelryck aan de verdediging van wat Claes' meest omstreden levensfase was: zijn houding tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hem wordt verweten dat hij artikelen publiceerde in onder Duits toezicht staande periodieken, dat hij in Berlijn met Felix Timmermans een veertiendaagse filmcursus volgde en dat hij zich in het algemeen Duitschgezind zou hebben gedragen. Kort na de oorlog werd op grond daarvan zijn huis in Ukkel kort en klein geslagen, volgens Van Hemelryck door 'krapuul'.

Hij zat drie maanden in de gevangenis, waar hij zijn boek 'Cel 269' schrijft, dat het genootschap dit jaar uitgeeft. Uiteindelijk werd hij door een militaire rechtbank vrijgesproken, hoewel die zijn onnozelheid laakte. Van opzet, zo werd geconcludeerd, is geen sprake geweest. Er volgde een volledige rehabilitatie. Claes kreeg zijn burgerrechten terug, maar kwam er zelf zwaar beschadigd uit. Hij kreeg hartklachten.

Zaklamp

Van Hemelryck was toen elf jaar oud. Hij was door het lezen van De Witte in de ban van de schrijver gekomen. 'Ik moest het stiekem doen, want mijn ouders wilden niet dat ik het las, omdat er nogal wat scrabeuze scenes in voorkwamen. Dus lag ik met een zaklamp onder de deken.'

Hij schreef Claes een bewonderende brief. Er kwam een uitnodiging om in Ukkel op bezoek te komen. Er volgden meer bezoeken. 'Een paar keer per maand zat ik bij hem. Janneke, zei hij dan, ge moet oppassen voor de grote mensen, want die dragen maskers. Ik moest een sigaartje van hem roken. Dat was een soort alibi voor mijn aanwezigheid. Als dat op was, moest ik vertrekken, want zijn vrouw Stephanie (de in Zutphen geboren schrijfster Stephanie Vetter) had niet graag dat haar man altijd in gesprek was. Later werd het sigaartje een pijp, want het duurde langer voordat die op was.' We dalen af naar de kelder. Hij is tot aan het plafond volgestouwd. Op een huiszegen staat 'Bemind zij overal het Heilig Hart van Jezus' met de toevoeging '100 dagen aflaat'.

In kasten liggen de boeken van Claes, ook de vertalingen in onder meer het Spaans, Frans, Engels en Duits. Er is een exemplaar van De Witte in het hebreeuws, van Floere het fluwijn in het Japans. Bijna alle werken zijn vertaald in het Tsjechisch, volgens Van Hemelryck omdat de Tsjechische volksaard dicht tegen de Vlaamse aanligt. Naast de brieven van Claes zelf, zijn er 100 brieven van Felix Timmermans en 200 van Stijn Streuvels. Er zijn foto's te zien vanaf 1890. Ergens in een la ligt de verrekijker die Claes als officier in de Eerste Wereldoorlog gebruikte. Op de omslag van een boek staat een skelet. Het is het door Claes geschreven vredesvisioen met als titel De Twaalf. Het wordt door scenarioschrijver Pierre Platteau bewerkt en zal in november 1992 door Eurovisie worden uitgezonden ter gelegenheid van het wegvallen van de Europese binnengrenzen. 'Dat stemt zeker tot grote tevredenheid. Het zal een herwaardering zijn van het werk van Claes met wie ik me tot in het diepst verbonden weet: als Vlaming en als katholiek. Ik heb als hij dezelfde weemoed, dezelfde rusteloosheid, ik voel me juist als hij getormenteerd. Ik kan hem nazeggen: helaas, ik heb geen rust. '