Hogeschoolagenda

Wie straks een HBO-student vraagt wat voor soort school hij nou precies bezoekt, loopt de kans dat deze zijn agenda uit de tas pakt, daarin het hoofdstuk 'HBO volg je aan een hogeschool' opslaat en vervolgens voorleest dat 'in het hoger beroepsonderwijs ongeveer 225.000 studenten op 87 hogescholen worden opgeleid voor beroepen in alle sectoren van de maatschappij'. Mogelijk is die informatie ook voor de eigenaar van de agenda zelf nieuw: eerder dit jaar bleek uit een enquete dat maar weinig (potentiele) HBO-ers bij het woord hoger beroepsonderwijs denken aan hogescholen. De onderzoekers concludeerden dat de in 1986 doorgevoerde naamsverandering, indertijd bedoeld om het hoger beroepsonderwijs meer status te geven, 'uit PR-oogpunt een vergissing is geweest'. De hogeschoolagenda maakt deel uit van een campagne om het imago van het HBO alsnog op te poetsen.

Wellicht daarom is de grootte ervan het meest opvallende verschil met de academische en universiteitsagenda's. Als een broertje met een minderwaardigheidscomplex heeft de hogeschoolagenda deze in een broekzak te steken agenda's in gewichtigheid verre voorbij gestreefd met als gevolg dat de agenda voor middelbare scholieren gemaakt lijkt. Maar dat is niet zo erg. Uit weer een ander onderzoekje kwam naar voren dat HBO-ers graag wat meer ruimte hebben om het huiswerk op te schrijven dan de blijkbaar minder conscientieuze universitaire studenten. In de concurrentieslag met de universiteiten moet dat natuurlijk vooral zo blijven.

Wat dient een HBO-student zoal te weten om zich in een universiteitsstad staande te houden of in een provinciestadje te onderscheiden? Blijkens het regionale katern dat in 15 uitvoeringen is bijgevoegd zijn dat in de eerste plaats de uitgaansmogelijkheden ter plaatse. Misschien wegens tijdgebrek bij het samenstellen van de agenda, misschien ook omdat er gewoon niets anders is, vermeldt bijvoorbeeld de hogeschoolagenda voor Groningen hier de verenigingen voor universitaire studenten. De belangrijkste boekhandel (Scholtens, Grote Markt) ontbreekt: die adverteert niet in de agenda. Omgekeerd blijkt de wel uitbundig adverterende AMRO-bank de enige bank in de stad te zijn, de ASA het enige uitzendbureau en de NBBS de enige reisorganisatie.

Mede door dit soort onvolkomenheden vormen de 'vertrektijden NS' eigenlijk de meest interessante informatie van het katern. Voor bezitters van een OV-jaarkaart een extra impuls om de trein te nemen. Of dat zal zijn om in andere plaatsen college te volgen is de vraag: het handige overzicht van namen, adressen en studiemogelijkheden van alle hogescholen in Nederland staat alleen in de agenda voor de steden waarvoor (nog) geen regionale uitgave is. Dat de NS zelf nog steeds morren over de invoering van die kaart moge blijken uit het feit dat het bedrijf er geen enkele advertentie aan besteedt. Bij de vertrektijden staat zelfs afwerend dat 'de Nederlandse Spoorwegen NV geen enkele verantwoordelijkheid aanvaarden voor foute vermeldingen en/of achterhaalde gegevens'. Het voordeel van de vele advertenties is dat de agenda's binnenkort kosteloos in grote dozen bij de hogescholen worden bezorgd, dat 50 daarvan er gratis hun logo op konden laten zetten ('waarmee de agenda als intern PR-instrument voor de hogescholen extra waarde krijgt') en dat ze straks bij de studentenadministraties voor het pakken liggen. De gegevens over studiefinanciering, studeren in het buitenland en militaire dienst zijn natuurlijk meegenomen en wie de enquete naar 'het gebruiksgemak- en plezier van de hogeschoolagenda' opstuurt, maakt bovendien kans op een weekendje Londen of Parijs. De eerste vraag luidt: 'Wat vind je van het formaat van de hogeschoolagenda?'