Grote scholen zijn niet beter dan kleine

Het basisonderwijs in Nederland is gebaat bij grotere scholen constateert de 'projectgroep schaalvergroting basisonderwijs' in een vandaag verschenen rapport. Toch durft geen enkele onderwijskundige zich onomwonden uit te spreken voor grote of kleine scholen.

Een kleine school is persoonlijk. Vandalisme en schoolverzuim komen er niet voor. Grote scholen zijn verhoudingsgewijs goedkoop. Ze bieden leerlingen meer faciliteiten dan kleine scholen.

Het lijken voor de hand liggende constateringen, maar volgens de Rotterdamse onderwijskundige prof. dr. J. M. G. Leune heeft onderzoek naar de effecten van schoolgrootte ze allang ontmaskerd als borrelpraat. Het omvangrijke sociaal-wetenschappelijk onderzoek dat sinds het begin van de jaren zeventig op dit gebied is gedaan, heeft geen beslissend onderwijskundig of financieel voordeel voor een grote of kleine school kunnen aantonen. Of een school goed of slecht is hangt af van de docenten, het management, de schoolorganisatie en de zogeheten effectieve leertijd.

Leune: ' Neem de bewering dat leerlingen er op een grote scholengemeenschap verloren bij zouden lopen. Dat hoeft niet zo te zijn. Het hangt ervan af of de school een mentor heeft, of er een goede verzuimbestrijding is en of er al dan niet een pyramidale organisatie bestaat.'

En klein mag dan knus zijn, ' als je op een kleine basisschool niet met je onderwijzer op kan schieten, zit je daar wel een paar jaar mee opgescheept'.

Bij ons op school

Het Nederlands onderzoek naar de effecten van schoolgrootte betreft voornamelijk het voortgezet onderwijs. Toen in de Mammoetwet van 1968 de verschillende schooltypen op elkaar werden afgestemd, gingen veel categorale scholen samen in scholengemeenschappen. In de loop van de jaren zeventig werden uit het onderwijs steeds meer bezorgde geluiden vernomen: op deze grote scholen zou de vervreemding toeslaan. Tegelijk wees Amerikaans onderzoek onder high schools uit dat de betrokkenheid van kinderen bij bijvoorbeeld buitenschoolse activiteiten als schoolreisjes en sportwedstrijden op scholen met enkele honderden leerlingen veel groter was dan op scholen met een paar duizend. Ook zouden bureaucratie, schoolverzuim en vandalisme op kleine scholen in de VS minder voorkomen dan op grote.

Gealarmeerd door deze berichten verzocht de regering het Groningse instituut voor onderwijsonderzoek (RION) een onderzoek te doen naar de relatie tussen schoolgrootte en alles wat viel onder de noemer 'welbevinden van leerlingen'. Ruim 7000 leerlingen en de directies van bijna 90 middelbare scholen van diverse omvang kregen vragenlijsten van het RIONtoegestuurd. De schoolleiding moest daarop informatie geven over grootte, outillage, huisvesting en faciliteiten van de school. De leerlingen gaven hun mening over stellingen als: Ik voel me opgejaagd op school. De leraren hebben ook buiten de lessen om belangstelling voor mij. Ik vind het gebouw waarin we les krijgen erg goed/redelijk goed/tamelijk slecht/erg slecht. Het is een chaos bij ons op school.

De voorstanders van grote scholen konden opgelucht adem halen toen de resultaten van het onderzoek van het RION bekend werden. Het verband dat de onderzoekers tussen alle antwoorden zagen duidde weliswaar op enige relatie tussen de mate van chagrijn van leerlingen en de schaal van de school, maar de antwoorden wezen ook uit dat andere zaken minstens zo belangrijk waren voor hun welbevinden: of ze veel van bijgebouw naar bijgebouw moesten fietsen, of hun school een aula bezat voor schoolfeesten en of ze hun rijwielen in een opbergplaats konden stallen. Drs. W. G. R. Stoel die het onderzoek leidde, concludeerde dat het moeilijk was een rechtstreekse relatie te leggen tussen omvang en kwaliteit van een school. Hij signaleerde een aantal factoren die de betekenis van schoolgrootte voor de kwaliteit van de school mede-beinvloeden: schooltype, urbanisatiegraad, regio en samenstelling van schoolbevolking. Zo bleek uit het onderzoek dat de LBO-leerling zich substantieel minder 'welbevond' dan de AVO-leerling. Ook voelden leerlingen uit grote steden zich op school minder gelukkig dan hun leeftijdsgenoten uit kleinere plaatsen.

Om dergelijke 'intervenierende' factoren statistisch te neutraliseren en betrouwbare uitspraken over de gevolgen van schoolgrootte te kunnen doen, zijn volgens de onderzoeker zeer veel scholen als onderzoeksmateriaal nodig. De ongeveer 1600 Nederlandse scholen voor voortgezet onderwijs zijn daarvoor niet genoeg. De V. S. hebben wel voldoende scholen voor dit soort onderzoek, maar de resultaten daarvan zijn niet zonder meer geldig voor de Nederlandse situatie.

Fietspaden

In het debat over de financiele winst van schaalvergroting in het onderwijs zijn de beweringen eveneens sterker dan de bewijzen. Natuurlijk, een gebouw met 1000 leerlingen is goedkoper dan vijf scholen van 200. Een studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) noemt echter, behalve het gebruik van gebouwen of inventaris, ook andere factoren die van invloed zijn op de financiele gevolgen van schaalvergroting. Het voordeel hangt af van de hoeveelheid oude gebouwen die bij fusie moet worden afgestoten, en van de uitgaven voor wachtgelden die ontstaan als personeel overbodig wordt. Ook de aanleg van extra fietspaden of het opzetten van een schoolbussysteem na een fusie tussen scholen op het platteland kan de verhouding tussen kosten en baten sterk beinvloeden.

Het financiele voordeel van het bundelen van categorale scholen tot brede scholengemeenschappen een belangrijke doelstelling van deze regering noemen onderzoekers van het SCP ' op voorhand minder duidelijk'.

Zo zijn bijvoorbeeld op een MAVO-school de kosten per leerling lager dan op een scholengemeenschap, omdat deze laatste relatief dure eerstegraads leraren in dienst heeft.

Sparen

Doordat wetenschappelijk niet is vast te stellen hoe groot of klein een school moet zijn, krijgen volgens de Rotterdamse hoogleraar Leune discussies hierover een politiek karakter. Dit betekent dat de balans tussen grote en kleine scholen inmiddels is uitgevallen in het voordeel van de eerste: in de huidige onderwijspolitiek is schaalvergroting 'in'. ' Begin jaren tachtig was het welbevinden van leerlingen belangrijk', zegt onderzoeker Stoel. ' Nu is het een kwestie van deregulering en schoolmanagement geworden. Er zit een kern van waarheid in de gedachte dat een grote school meer kan profiteren van deregulering dan een kleine.' Zo stelt het formatiebudgetsysteem dat die deregulering in het voortgezet onderwijs vorm moet geven, een grote school in staat bijvoorbeeld de literatuurlessen in de bovenbouw samen te voegen. In plaats van vier keer hetzelfde verhaal te houden, verzorgt de docent een soort hoorcollege. Een kleine school kan minder uren sparen dan een grote, die van de bespaarde tijd een leerlingbegeleider zou kunnen aanstellen. ' Maar het is wel de vraag', waarschuwt Stoel, ' of de grote school de bespaarde tijd altijd daadwerkelijk voor meer voorzieningen inzet. Bovendien, als de deregulering zich tot de lessentabel beperkt en de regels voor het personeelsbeleid niet veranderen, kan een grote school haar voorsprong nauwelijks uitbuiten.' Leune signaleert dat de deregulering meer eisen aan het schoolmanagement zal stellen. Als de scholen groter worden, zijn er relatief minder schoolleiders nodig en kunnen de kosten van de massale bijscholing die straks nodig zal zijn, worden beperkt.

Ook de basisvorming met haar veertien vakken, een andere politieke prioriteit, maakt dat de balans in het voortgezet onderwijs nu naar grote scholen doorslaat. Leune: ' Het is ontegenzeggelijk zo dat een breed aanbod van vakken beter in een grote scholengemeenschap valt te realiseren dan binnen een kleine, categorale school. Ook bieden brede scholengemeenschappen betere mogelijkheden om de sociale selectiviteit van het onderwijs tegen te gaan.'

Machtige coalitie

In het basisonderwijs hebben de politieke motieven om naar grotere scholen te streven volgens Leune vooral te maken met de hoge uitgaven. Leune: ' Een buitenlander valt niet uit te leggen waarom we hier 8000 basisscholen hebben.'

Hun gemiddelde grootte (170 leerlingen) verschilt niet veel van die in het buitenland, maar de Nederlandse bevolkingsdichtheid is veel hoger. Elke bebouwde vierkante kilometer in ons land is goed voor gemiddeld bijna drie basisscholen.

Wie het aantal scholen omlaag wil brengen door ze samen te voegen, vindt echter een machtige coalitie van confessionele en regionale politici tegenover zich. Fusies zouden vooral ten koste gaan van de kleine scholen. Die zijn vooral te vinden in de drie noordelijke provincies en Zeeland en in het openbaar en protestants-christelijk onderwijs.

De argumenten voor de handhaving van die schooltjes waarvan sommige met 15 leerlingen waren vorig voorjaar veelvuldig te horen tijdens de succesvolle protesten tegen de door ex-minister Deetman voorgestelde bezuinigingen erop. De grondwettelijk beschermde bereikbaarheid van scholen van diverse denominatieve richtingen zou in gevaar komen; fusies betekenden dat veel dorpen hun laatste schooltje zouden kwijtraken, wat de doodssteek voor het dorpsleven zou zijn; jonge gezinnen met kinderen zouden het dorp gaan mijden, zang- en Oranjevereniging zonder de bezielende leiding van de 'bovenmeester' in elkaar storten en tenslotte leek het pedagogisch onverantwoord om jonge kinderen uit een kleine gemeenschap buiten de nabije, beschermde en vertrouwde omgeving van een eigen dorpsschool op te laten groeien.

Hoewel Leune deze opvattingen begrijpt, vindt hij dat ze schaalvergroting op het platteland niet in de weg hoeven te staan. Hij verwijst naar het schoolbussysteem zoals dat op enkele schaarse plekken in Nederland functioneert. In het dorp Glane in Oost-Twente sturen ouders al enige jaren hun kroost met een busje van een plaatselijk taxibedrijf naar scholen van diverse denominaties in omliggende dorpen. De gemiddelde grootte van die scholen ligt ver boven de honderd.

Van mogelijke pedagogische of culturele schade die kinderen of dorp hierdoor zouden oplopen, is Leune weinig bekend. De ouders zijn juist blij dat hun kind behalve in het eigen dorp, ook elders vriendjes of vriendinnetjes maakt. Het katholieke kerkkoor van het dorp floreert zonder bovenmeester.

De Rotterdamse hoogleraar concludeert dat een zeker cultuurgeloof de meningenstrijd over groot of klein beinvloedt. ' Niet zozeer bij de schaalvergroters. Die zijn meer geinteresseerd in een computergestuurde draaibank. Maar wel bij schoolbestuurders op het platteland. Het zijn vaak romantici die de neiging hebben om Tonnies erbij te halen.' De Duitse socioloog Ferdinand Tonnies onderscheidde eind vorige eeuw twee fundamenteel verschillende vormen van samenleven: de kleine, natuurlijke, en traditionele Gemeinschaft versus de grote, abstracte en rationele Gesellschaft. Ook dit conflict is nooit opgelost.