Gijzelaars

AVOND AAN AVOND verschijnt op de televisieschermen over de hele wereld het beeld van de verschrikking: de geciviliseerde stand-in van Big Brother Saddam Hussein die de perverse voorwaarden dicteert voor een regeling van de crisis over Koeweit. Alsof terugtrekking van Amerikaanse troepen en opheffing van de blokkade in ruil voor vrijlating van Westerse burgers in Irak en Koeweit niet de volledige omkering zou zijn van datgene waarom het conflict is begonnen de overrompeling van een klein land door een grote buurstaat. Met huiver ziet de wereld toe hoe een sinistere chaos om zich heengrijpt, de stromen vluchtelingen die Jordanie binnenkomen, de ontreddering, de verplaatsing van onschuldige burgers naar strategische gebieden.

President Bush heeft de slachtoffers van Saddams grootheidswaanzin gisteren met tegenzin bij hun naam durven noemen: gijzelaars, gevangenen van een meedogenloze agressor. Voor die kwalificatie was grote politieke moed nodig, want bij de Amerikaanse burgers zijn de spookachtige herinneringen aan de gijzelaars die Iran ruim tien jaar geleden bijna een half jaar heeft vastgehouden nog niet vervluchtigd. Levend is ook de herinnering aan de smadelijke nederlaag die Amerikaanse mariniers in de Iraanse woestijn hebben geleden toen zij die gijzelaars trachtten te bevrijden.

DIT KEER gaat het niet alleen om Amerikaanse gijzelaars, maar om alle burgers van landen die zich tegen de usurpatie van Saddam hebben gekeerd. President Bush zal dan ook duidelijk gemaakt moeten worden dat de Verenigde Staten niet alleen staan in hun confrontatie met een gevaarlijke gek en dat zijn land, net als in de Tweede Wereldoorlog, de krachtigste morele, politieke en militaire steun van zijn bondgenoten, Westerse en ook Oosteuropese, zal kunnen ontvangen die het maar nodig heeft.