Adviescommissie: kleine scholen weg

DEN HAAG, 21 aug. Uitvoering van de voorstellen van een adviescommissie van staatssecretaris Wallage (onderwijs) om de stichtingsnorm in het basisonderwijs te verhogen naar vijfhonderd leerlingen, zou vooral het protestants-christelijke en openbare basisonderwijs treffen. In Friesland, Groningen, Drenthe en Zeeland zouden veel basisscholen moeten verdwijnen. De cultureel homogenere, voornamelijk katholieke, zuidelijke provincies kennen al veel grote scholen.

Ongeveer veertig procent van de leerlingen in het basisonderwijs zou bij uitvoering van de plannen op zoek moeten naar een andere school, aldus berekeningen in het rapport. De verandering in de verdeling van scholen naar levensbeschouwelijke richting bedraagt volgens de commissie echter maar 'enkele procenten'. Volgens de commissie van ambtenaren van het ministerie en deskundigen van buiten het departement, mag alleen in zeer specifieke (geografische) situaties een lagere norm van 250 worden toegepast. Lager dan dat zou onderwijskundig onverantwoord zijn, aldus de adviesgroep. Om te vermijden dat veel scholen voor een dergelijke uitzonderingssituatie in aanmerking komen, zouden de mogelijkheden voor leerlingen om met het openbaar vervoer naar school te gaan, sterk verbeterd moeten worden.

Het getal van 250 zou ook de opheffingsnorm moeten worden van de basisscholen, aldus het advies. De deskundigen nemen daarbij afstand van het onderscheid in de minimum-normen dat staatssecretaris Wallage maakt tussen scholen in stedelijke en plattelandsgebieden. 'Het valt niet in te zien dat aan het onderwijs op het platteland lagere eisen gesteld zouden moeten worden dan aan het onderwijs in stedelijke gebieden', aldus het rapport.

De gemiddelde schoolgrootte in het basisonderwijs bedraagt nu 170 leerlingen. Deze kinderen doen gemiddeld iets minder dan vijf minuten over hun reis van huis naar school. Elke bebouwde vierkante kilometer kent bijna drie basisscholen.

In het pleidooi van de commissie voor een forse schaalvergroting speelt het streven van de overheid om de scholen in de toekomst een grotere vrijheid te geven een belangrijke rol. Op een grote school kan de leiding meer tijd vrijmaken voor management-taken, aldus het rapport. Ook is deze school minder afhankelijk van de expertise van instellingen als schooladviesdiensten en pedagogische centra: leraren kunnen worden vrijgesteld om zelf die kennis te ontwikkelen. Zo heeft de zogeheten 'zorgverbreding', de professionele begeleiding voor kinderen met leer-moeilijkheden, meer kans van slagen.

Grote scholen zijn, door een efficienter gebruik van gebouwen, faciliteiten en leermethoden, ook goedkoper dan kleine, zo blijkt uit cijfers van het Sociaal- en Cultureel Planbureau in het rapport. Wanneer een school van ongeveer vijftig leerlingen wordt vergroot met een procent, stijgen de totale kosten met een half procent. Scholen met minder dan vijftig leerlingen kosten 7.200 gulden per leerling per jaar, scholen met meer dan driehonderd leerlingen kosten 3.700 gulden. Ook meer scholen onder een bestuur biedt forse financiele voordelen, aldus de commissie. Nu bestaan er veel besturen met maar een school. De vergoeding voor hun werk van de overheid is relatief hoog.

Staatssecretaris Wallage zal het rapport aan een groot aantal adviesinstanties en onderwijsorganisaties voorleggen. Daarna maakt hij zijn eigen standpunt over het advies bekend.