Pietje Poppesnor

Eigenlijk had Hendrik Blonk rechercheur willen worden, maar hij zakte voor het examen. 'Ik ben er te zenuwachtig voor', zou hij later verklaren, 'ik kan niet studeren. Ik ben een man van de praktijk.' Blonk werd in 1893 in Amsterdam geboren en wist op te klimmen tot politieagent. Hij werkte bij bureau Raampoort in de hoofdstad en was buitengewoon ijverig. Te ijverig. 'Blonk', zo heet het ergens, 'was een van de hardnekkigste dievenvangers die ooit in de straten van Amsterdam rondliep, een kerel, die dood noch duivel vreesde en maar een hartstocht kende: succes hebben. (...) Hij had de opvatting dat elk middel hem dienstig was om zijn doel te bereiken. Hij deinsde voor niets terug.' In Amsterdam was Blonk al snel bekend. Hij droeg een 'daverende knevel' en dit bezorgde hem de bijnaam Pietje Poppesnor of simpelweg Poppesnor. Uiteindelijk zou poppesnor in de dieventaal een begrip worden. Van Dale geeft als betekenis 'overijverige speurder' ; elders is daar 'onderzoekende geest' aan toegevoegd. In 1935 werd 'Snorrekop', zoals hij ook wel werd genoemd, lid van de NSB. Hij was toen al een bekendheid. Blonk had een geheimzinnige contactpersoon bij een krant en tijdenlang kon het publiek van zijn heldendaden meegenieten. 'Iedere ochtend en iedere avond', schreef een dagblad later, 'las het publiek over Blonk's daden. 'De bekende rechercheur', 'de vermaarde dievenvanger', 'de kenner van de onderwereld' het was Blonk voor en Blonk na. De man sloeg volkomen op hol en conspireerde met de halve onderwereld om de andere helft te vangen.' Pas veel later zou uitkomen dat Blonk deze kranteberichten allemaal zelf schreef.

December 1942 werd Blonk aangesteld als 'Jodenhaler' bij het bureau Joodse Zaken. Hij werkte er slechts drie maanden maar arresteerde in die periode tweeenvijftig joden. Tenminste, dat aantal werd hem op 11 augustus 1947 voor het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam ten laste gelegd. Maar Blonk corrigeerde de officier van justitie: 'Het waren er meer, minstens honderd.' Tijdens de rechtszaak werd duidelijk hoe ingewikkeld Blonk in elkaar stak. Op 13 september 1947 probeerde een verslaggever van Het Kompas de zaak te verduidelijken. Onder de kop 'De meest gehate Amsterdammer: Blonk' volgde een uitvoerig psychologisch portret. Blonk was niet alleen overijverig, eerzuchtig en plichtsgetrouw, hij was ook buitengewoon ijdel. Door zijn werk als Jodenhaler verloor hij de waardering die hij zo nodig had en dus ging hij een dubbelspel spelen. Hij ontzag joden of hielp ze ontsnappen. Hij was voor een Groot-Duitsland, maar NSB-ers die zich misdroegen werden door hem opgepakt. Op een gegeven moment vocht hij zelfs 'met een schietende SS-er, die chantage pleegde en hij zette door, terwijl de kogels om z'n oren vlogen en een schampschot een stuk van z'n snor wegnam', aldus Het Kompas. Uiteindelijk werd Blonk in zijn eigen huis neergeknald. Hij keerde terug bij de politie met een kogel in z'n lever. Dit alles zou hem op den duur ten goede komen. De eis van twintig jaar gevangenisstraf werd eerst omgezet in acht jaar, daarna in zeven jaar met aftrek. Uiteindelijk werd hij al in 1949 vrijgelaten.

Blonk kon nu gaan doen wat hij altijd al had gewild. Hij richtte het Detectivebureau Blonk en Co op, dat was gevestigd aan de Admiraal de Ruyterweg 244 in Amsterdam. Maar Blonk bleef een leugenaar. Het telefoonboek van 1953 vermeldt achter zijn naam: 'Oud-rechercheur van politie.'