Hoge premies helpen blokkade Aqaba

AQABA, 20 aug. Koning Hussein weet nog altijd niet op welke manier hij zich zal aansluiten bij de VN-boycot, maar als hij nog even blijft aarzelen is het probleem al voor hem opgelost. In Aqaba, de enige zeehaven van Jordanie, lagen dit weekeinde nog maar vijftien schepen, terwijl het er normaal zeker veertig zijn. Een Soedanees schip dat op weg was om uit Koeweit gevluchte gastarbeiders op te halen werd zaterdagavond door de Amerikaanse marine onderschept. De Verenigde Staten hebben inmiddels hun verontschuldiging aangeboden voor dit incident, maar het laat zien dat er nu ook in de Rode Zee een begin met een blokkade is gemaakt.

Ook zonder blokkade was het scheepvaartverkeer er al bijna geheel tot stilstand gekomen. 'Reders weigeren al twee weken vracht voor Jordanie en Irak, omdat ze bang zijn dat Irak niet kan of wil betalen', zegt havendirecteur Awad al-Tal. Zijn kantoor ziet uit op tientallen stilstaande kranen en op een nog niet geheel voltooide toren die, in een gewiekst samengaan van stoffelijke en geestelijke belangen, dienst moet gaan doen als kantoorgebouw, uitkijkpost en minaret. Iets verder weg, aan de overkant van de baai, ligt de Israelische badplaats en havenstad Eilat, zichtbaar in vol bedrijf.

De directeur noemt nog een tweede reden voor het uitblijven van vracht. Uit de paperassen op zijn bureau vist hij een telex waaruit blijkt dat de Amerikaanse verzekeraar van twee sleepbootjes in zijn haven nu een extra premie verlangt van 25.000 dollar per week. De schepen zullen hun werk daarom verder onverzekerd moeten doen. 'Als dit de toeslag voor twee sleepboten is, kunt u zich voorstellen wat er voor een vrachtschip wordt gevraagd', zegt Awad al Tal. De haven van Aqaba heeft 2.300 arbeiders in vaste dienst en 1500 man die per uur worden betaald, maar na de vrijdagse rustdag was er gisteren en eergisteren geen mens te zien. Pas 's nachts werd er een Iraaks schip gelost en zondagochtend reden er op de weg van Aqaba naar de Iraakse grens nog zeker driehonderd vrachtwagens met suiker, cement, staal en machines als bewijs dat Irak wel is getroffen door de boycotmaatregelen maar nog niet volledig geisoleerd.

Aqaba is de laatste aanvoerroute voor goederen die Bagdad ter beschikking staat, nu Syrie, Turkije en Saoedi-Arabie hun grenzen hebben gesloten en de Amerikanen het scheepvaartverkeer in de Golf controleren. Tijdens de oorlog met Iran kwam een groot deel van het militair materieel voor Irak in deze haven binnen om daarna met vrachtwagens de bijna zevenhonderd kilometer naar de grens af te leggen. Meer dan tienduizend auto's reden tot voor kort dagelijks op het traject Aqaba-Amman-Bagdad heen en weer.

Zij brachten niet alleen goederen naar Irak, maar bevoorraadden ook Jordanie zelf. 'Als het zo doorgaat worden de levensmiddelen in Amman net zo schaars als die in Bagdad', meent de directeur van de haven dan ook, maar hij wil niet zeggen welk percentage van de ingevoerde vracht uit voedsel bestaat.

Mocht er nog een lading graan in Aqaba arriveren dan is het van boord brengen daarvan sinds kort overigens extra moeilijk geworden. Het Noorse elevatorschip Tanga, dat jarenlang voor het overladen zorgde, kreeg eind vorige week bevel van zijn rederij om de kade te verlaten en op een paar honderd meter buiten de haven voor anker te gaan. Dat betekent dat er alleen nog maar graan in zakken kan worden gelost. Op de vraag of dit voedsel, in geval van een boycot, na import als vracht voor Jordanie weer zou kunnen worden geexporteerd naar Irak, zegt de directeur: 'Alles is mogelijk. Hetzelfde schip heeft vaak lading voor zowel Irak als Jordanie aan boord. Dat valt niet te scheiden. Bovendien loopt dertig procent van de Jordaanse export via deze haven. Alleen al zes miljoen ton fosfaat komt hier jaarlijks per trein aan en wordt over de Rode Zee verder vervoerd. Sluiting van de haven is rampzalig voor onze hele economie.' Het is stil in de haven, het is stil in de hotels waar reisbureaus hun strandvakanties hebben geannuleerd. Alleen op de pier waar de veerboot naar Egypte aanlegt ziet het zwart van de mensen. Aqaba is immers ook het voorlopige eindpunt voor de honderdduizenden Egyptenaren die tot voor kort in Koeweit en Irak werkten en nu noodgedwongen terugkeren naar hun vaderland. Als zij de haven hebben bereikt zijn zij doorgaans vijf dagen op weg geweest in volgepakte auto's, in bussen of open vrachtwagens. Op de pier zitten zij met meer dan tienduizend mensen lijdzaam te wachten. Velen hebben geen geld, omdat hun tegoeden op banken in Koeweit niet meer opvraagbaar waren. Iraakse grenswachten hebben hun kostbaarheden geroofd. Zes keer per dag gaat er een boot die op kosten van de Egyptische regering tweeduizend man en 150 auto's naar Naweiba vervoert, waar een warme welkomstmaaltijd op hen wacht. Voor het zover is kan het echter nog wel dagen duren.

Jordanie biedt de vluchtelingen geen enkele hulp. Integendeel, omdat men de stad niet door hen wil laten overspoelen houdt de politie al op tientallen kilometers voor Aqaba grote groepen tegen die in de woestijn moeten blijven tot er weer een pont is vertrokken. Zonder voedsel, zonder water bij een temperatuur van meer dan veertig graden staan ook gezinnen met kleine kinderen soms bijna een dag langs de kant van de weg. De Jordaanse autoriteiten hebben gisteren aan Irak gevraagd het aantal vluchtelingen dat per dag het land verlaat te beperken. Dat zal voorlopig alleen tot gevolg hebben dat zij aan de andere kant van de grens stil blijven staan. Intussen is in de Jordaanse media een grote inzamelingsactie op gang gekomen onder het motto: 'Melk voor de kinderen van Irak'. Ook op de grote parkeerplaats voor vrachtwagens vlak buiten Aqaba is geen medelijden te vinden voor de langstrekkende stroom Egyptenaren. Ze hebben het aan zichzelf te wijten dat ze uit het Verenigde Irak worden verjaagd, vinden de chauffeurs, en nog meer aan hun slechte president Mubarak, voor wie lachend de gruwelijkste martelingen worden verzonnen. Er staan tussen de 300 en 400 trucks met oplegger met daartussen hutjes en afdakjes waar de chauffeurs verblijven. Meestal zijn zij zelf de eigenaar van hun auto. Het zijn veel Palestijnen en een enkele Irakees, die een vreemdeling aanvankelijk wantrouwig bejegenen, maar na enige tijd toch thee aanbieden en in een steeds groter wordende kring hun hart willen luchten. De crisis heeft hen werkloos gemaakt, de meesten staan al meer dan een week stil. Toch zijn ze opgetogen. 'Saddam Hussein is onze leider, hij is sterker dan Arafat', zegt een Palestijn die als zoveel van zijn landgenoten al jaren in Jordanie woont. 'Saddam Hussein is onze Hitler.'

De vergelijking is gunstig bedoeld. 'Hitler heeft Duitsland groot gemaakt', weet een andere Palestijn. 'Hij heeft een groot vuur gemaakt om alle joden in gooien', roept een derde enthousiast. De eerste spreker schenkt nog eens thee in de kleine glaasjes en pocht dan dat hij rijk is, althans rijk genoeg om nog heel lang zonder werk te kunnen blijven als de rechtvaardige strijd van Irak dat met zich mee zou brengen. 'Voor Saddam Hussein ben ik bereid te sterven als hij ons voorgaat tegen Israel', zegt hij. 'Laten we hopen dat er oorlog komt.'

Vindt iedereen dat? Dat vindt iedereen.