HET HAMMOND-ORGEL De warme klank van de jaren'50

Liefhebbers beschouwen de Hammond B-3, in combinatie met de Leslie 147 luidspreker, nog steeds als het allermooiste instrument. Dit 'orgel', op ranke, gedraaide poten en met een sierlijke kast van walnoot-, beuken-, of eikenhout, werd in 1955 door de firma Hammond uit Chicago geintroduceerd. De echte Hammond-sound, die vette en licht jengelende, synthetische klank, komt op dit type het best tot zijn recht.

Laurens Hammond (1895-1973) was oorspronkelijk klokkenmaker. Dagelijks kreeg hij vele tandwieltjes onder ogen. In de jaren dertig kwam hij op het idee de wieltjes te gebruiken voor het bouwen van muziekinstrumenten. Hij liet ze met een vaste snelheid langs een koperen spoeltje draaien. Telkens wanneer een tand van het wieltje de spoel passeerde, ontstond een klein stroomstootje met een eigen frequentie. Die elektrische spanning werd versterkt met behulp van een buizenversterker en door een luidspreker omgezet in geluidsgolven. In principe produceerde ieder wieltje een voor het gehoor onaantrekkelijke sinusvormige golf, maar door verschillende golven te combineren ontstonden prachtige 'muzikale' klanken.

Hammond rustte zijn orgels uit met zogenaamde tonebars, registers in de vorm van een reeks schuiven met acht standen, waarmee een grondtoon naar believen met boventonen gemengd kon worden. De stand van de schuif bepaalde het volume van de boventoon. Met een beetje fantasie kunnen de tonebars worden beschouwd als een voorloper van de digitale geluidproduktie. Het aantal klankkleuren dat de organistmet deze schuiven (zeven, negen of elf, afhankelijk van het model) kon maken, was enorm 'oneindig' schreef Laurens Hammond trots in zijn advertenties. Het leverde hem een van de vele processen op, aangespannen door jaloerse concurrenten die de term misleidend noemden: met elf tonebars waren nu eenmaal niet meer dan 388.878.488 combinaties te maken. Een andere rechtszaak ging over de vraag of Hammond zijn instrumenten wel orgels mocht noemen, de klank werd tenslotte niet met behulp van pijpen geprocudeerd.

Musici trokken zich weinig aan van het gekissebis tussen de concurrenten. Met een orgel van Hammond haalde men in een klap een heel orkest in huis. Wie wilde dat niet! Kleinere kerken in Amerika gingen aarzelen bij de aanschaf van een nieuw pijporgel, want Hammond leverde voor veel minder geld een bruikbaar alternatief. De firma ontwikkelde voor kerken zelfs een speciaal model: de C-3 met het kathedraal-effect en met zijn, volgens een advertentie, 'magnificent variety of true liturgical tones'. Hammond patenteerde het toonwielsysteem en daarmee de unieke sound, die door veel bedrijven zonder succes werd geimiteerd. De luidsprekers van de firma Leslie, een zelfstandig bedrijf dat later door Hammond werd opgekocht, vervolmaakten de klank, dank zij de roterende speakers die zorgden voor een warm, extra vibrato.

Vooral in de amusementsmuziek hadden de Hammond-orgels succes. Organisten kozen een karakteristieke klankkleur door hun eigen combinatie van tonebars, waar ze later nooit meer van afweken. Wie kende niet de Amerikanen Jackie Davis en de altijd in octaven spelende Jimmy Smith, of het neuzige geluid van de Nederlander Cor Steijn? Voor de huisorganist verschenen hele lijsten met schuif-combinaties waarmee instrumenten nagebootst konden worden (03 5678 888 levert een 'briljante' trompet), of die zeer geschikt waren voor bepaalde composities (00 3463 021 voor het Allegretto uit de Pathetique van Tsjaikovksi en 00 7888 356 voor Stars and Stripes Forever). In de jaren zestig drong het Hammond-orgel zelfs in de popmuziek door. Rick van der Linden van de groep Ekseption had in zijn batterij elektronica ondermeer een prachtige Hammond. Ook thuis werd driftig met de orgels geexperimenteerd. J. Herbert, inmiddels orgeladiviseur bij de Utrechtse muziekhandel Staffhorst, herinnert zich hoe hij zijn eerste Hammond-orgel flink 'opvoerde' door in de buizenversterker lampen te vervangen door kleinere exemplaren (20 in de plaats van 50 watt). Tijdens het spelen vlogen de vonken eraf, maar het gaf wel 'een lekker, scheurend geluid'. De popmuziek, die geleidelijk een deel van het terrein van de amusementsmuziek overnam, betekende uiteindelijk toch bijna de doodsteek voor het Hammond-orgel. Het klankideaal veranderde en het Hammond-geluid bleek daarbij niet te passen. De synthesizer bood geluid dat veel extremer kneedbaar was en jongeren hadden geen emotionele binding met de Rolls Royce onder de elektronische orgels net als bij de Rolls, pasten ook de modellen van Hammond zich amper aan nieuwe vormgevingsidealen aan.

De oude aanhang bleef verknocht aan het instrument, maar vergrijsde en beschouwde de kleinste wijziging van hun Hammond als een degeneratie. Toen de firma na jaren van moeizaam onderzoek de irritante 'spetter' eruit haalde, die ontstond door een elektrisch vonkje even voor de toets helemaal ingedrukt was, klaagden organisten dat de instrumenten niet meer hetzelfde klonken als vroeger.

In de jaren zeventig maakte Hammond een fatale fout. De firma kwam met een nieuwe serie orgels waarin de toonwieltjes definitief vervangen waren door elektronica. Men had weliswaar geprobeerd de oude klank zo veel mogelijk na te bootsen, maar was daarin slechts ten dele geslaagd. In 1985 moest Hammond noodgedwongen de fabriek sluiten.

De hele handel, compleet met de in het verleden zwaar bewaakte octrooien, werd opgekocht door de Japanse firma Suzuki. Die zette de bouw van Hammonds voort opnieuw zonder toonwiel. Maar met de moderne techniek kon de Hammond sound een paar jaar geleden met succes gesampled (digitaal gekopieerd) worden. Gekozen werd natuurlijk voor het geluid van het beroemde B-3 model, inclusief de zwevende klank van de Leslie luidspreker. Zelfs het spettertje van de bijna ingedrukte toets kan op deze nieuwe instrumenten naar believen worden ingeschakeld.

Herbert toont in de winkel van Staffhorst een moderne Hammond. Hij gaat zitten, schuift met wat tonebars en imiteert het spel van Cor Steijn, Jackie Davis en Jimmy Smith. Plotseling klinkt in deze digitale wereld het verdwenen geluid van de jaren vijftig.

De goedkoopste moderne Hammond kost bijna 14.000 gulden. Op de Firato (24/8 t/m 2/9 in de Rai in Amsterdam) introduceert Hammond een nieuw model van rond de 8.000 gulden.