Cellist Heinrich Schiff volgt de inspiratie van het moment; Strenge Bach zwieriger door geronk van een losse snaar

Het leek wel een aanwijzing uit den hoge, dat zuchtje wind dat zaterdagavond in het Amsterdamse Concertgebouw telkens opnieuw een blaadje van de partituur van Brahms' Sonate in F deed omslaan. Tenslotte wierp cellist Heinrich Schiff het dode papier maar op de grond, waarvoor hij instemmend geknik kreeg van pianist Gerard Wyss en een applausje van het publiek. Wat volgde was het hoogtepunt van het recital: een adagio affetuoso zo levend, intens, schoon en puur dat men na afloop slechts kon denken dat de geest van Brahms zelf hier in de zaal aanwezig was.

Weg met de materie van de voorgeschreven noten, leve de inspiratie van het moment: het romantische ideaal kan ook nog heden ten dage realiteit worden dankzij de begenadigde artiest die werkelijk worstelt met de kunst. Bij Schiff staat de uitkomst niet tevoren vast en is een recital niet alleen een confrontatie met de noten die hij wel uit het hoofd kent maar ook een telkens weer een nieuwe poging daarover een opvatting te poneren.

Zo is bij Schiff zijn houding tegenover de Derde suite voor cello solo van Bach in de loop der jaren wel heel radicaal veranderd. Zijn plaatopname (EMI) uit 1984 was sterk beinvloed door de 'authentieke' uitvoeringspraktijk, al gebruikte hij een 'modern' instrument. Hij speelde zonder vibrato en heel veel non legato (elke toon een nieuwe streek), wat resulteerde in een redelijk ritmische en motorische weergave van de suite, waarbij innerlijke dynamiek en contrastwerking in de tempi van de verschillende delen duidelijk op de tweede plaats kwamen.

Nu is dat bijna allemaal omgekeerd: verreweg de meeste noten worden in soms duizelingwekkend tempo met elkaar verbonden en vliegen snel vervluchtigend weg; de nadruk ligt meer op de opbouw van de spanning binnen de delen compleet met subtiele echo-effecten en in de fors aangezette tegenstellingen daartussen, zoals een ademloos luchtige courante gevolgd door een monumentaal slepende sarabande.

De varieteit van de expressie in zo'n suite is enorm toegenomen. Alleen het non vibrato is hier gebleven, al mag Schiff zich graag uitleven door het extra ronkend laten klinken van de losse snaar, waarvan hij het dramatische effect nog accentueert door een zwierig dirigerend gebaar van de linkerhand. De autocratisch strenge Bach is weg en vervangen door een milde en eigenzinnige quasi-improvisatie, recht uit het hart zoals dat op dat moment klopt.

De Sonate van Debussy speelde Schiff al even gedreven af en toe ging hij er zelfs een beetje bij staan! en met een nog breder scala aan virtuoze uitdrukkingsmogelijkheden, alsof het hier een technisch grensverleggende Sequenza van Berio betrof, met de voortreffelijke en zeer betrokken Gerard Wyss als aangever. En diezelfde hang naar snelle afwisseling bleek ook uit de keuze van Martinu's Variaties op een thema van Rossini: van bijna ragfijn gekwinkeleer naar zwarige zigeunerklanken.

Na dat wel heel gelukkig uitgevallen tweede deel van de Brahms-sonate, die als laatste op het programma stond, leek Schiff ietwat uitgeput en kwamen het Allegro passionato en het Allegro molto naar mijn gevoel iets onderkoeld uit: wel prachtig, maar zonder de dwingende overtuiging van het krachtige en hartstochtelijke spel met de luid zingende toon. Maar altijd liever ietsje minder inspiratie dan betrouwbare routine. En hoe sympathiek Schiff is bleek tijdens de toegift, een met zoete en behaagzieke intonatie gespeeld Kreisler-stukje. De cellist draaide zijn stoel om en speelde met zijn rug naar de zaal voor het publiek op het overvolle podium.