BRIEFKAART UIT SALVADOR DE BAHIA; St. Jansdag

Het is avond, 25 graden nog, en de zeewind is zoel. Mijn reisgenoot en ik zitten bij een van de houten hutjes op een uitgestrekte zandvlakte even buiten Salvador. In al die hutjes wordt vuurwerk verkocht omdat het morgen St. Jansdag is. Dit katholieke feest (Festa de Sao Joao) wordt in Brazilie, en vooral in het noordoosten, met overgave gevierd. We hebben net een acaraje (een in palmolie gebakken visballetje) gegeten en de brandende nasmaak spoelen we weg met een fles bier. Rechts van ons zitten zwarte vrouwen bonen te doppen; om ons heen spelen kinderen met levensgevaarlijk vuurwerk. Over het veld schalt het overspannen radiocommentaar bij de voetbalinterland Brazilie - Costa Rica. Zoals op de televisie de doelpunten worden herhaald, gebeurt dat ook op de radio. Per doelpunt (Goooool!) wordt drie maal hetzelfde commentaar afgedraaid.

Een paar uur later zijn we terug in het hotel in de bovenstad. We feliciteren Joaquim, de eigenaar, met de welverdiende overwinning en iedereen gaat tevreden naar bed. In de kamer naast ons bedrijven twee mensen zeer hoorbaar de liefde. Ook hun daarop volgende ruzie wordt ons door het wandje van hardboard niet onthouden.

Vroeg in de ochtend opnieuw gekreun. Dit keer van mijn reisgenoot O. Hij kermt over vreselijke buikkrampen en schreeuwt om hulp. Joaquim adviseert gegiste melk als remedie. Ik ga op zoek in de stad. Het regent en de straten stromen onder. Allerlei ongesorteerd afval drijft met het water mee. Honden met zwerende ruggen vluchten in smoezelige portieken. Een uur later ben ik terug met de melk. Maar het helpt niet. Integendeel, we vrezen voor een blindedarmontsteking.

Doktoren zijn onbereikbaar want voor hen is het vandaag ook feest. Opnieuw weet de hotelhouder raad. We moeten naar de 'Pronto Socorro' (de eerste-hulppost) van de universiteit dag en nacht geopend en nog gratis ook. 'Het beste dat we hebben in deze streek', roept Joaquim ons na als ik de inmiddels dubbelgeklapte O. in een taxi prop.

De hulppost bevindt zich midden in een verbouwing, of de oorlog is net uitgebroken. Puin, bouwmateriaal, patienten en personeel zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. Loketten of richtingaanwijzers zie ik nergens. Ik klamp mensen aan die lijken op verplegend personeel. Een strenge mevrouw achter een tafeltje verwijst ons eindelijk naar de rontgenafdeling. Daar verdwijnt O. voor een half uur in een donkere ruimte met metershoge grijze machines. Iemand in een witte jas brengt ons vervolgens naar de zaal voor de eerste-hulp. 'Even wachten, zo terug'. Het loopt storm vandaag. Een bont tafereel van ernstige gevolgen van achteloos vuurwerkgebruik, geboeide bandieten met schampwonden, grimmige politiemannen die met revolvers zwaaien en daar tussendoor schoonmaaksters om de bloedplassen op te dweilen. Er wordt geknipt, gesneden en gehecht, aan het gejammer te horen vaak zonder verdoving. We moeten oppassen voor rondslingerende naalden. Als er iemand van zijn brancard of van de tafel op de grond valt, is het blijkbaar het beste om hem daar maar te laten liggen. Anders valt hij straks toch weer. O. brengt veel tijd door in de latrine.

De witte jas verschijnt niet meer en ik probeer de interesse te wekken van zes andere doktoren. Nadat zij gezegd heeft nog even weg te moeten, komt de zevende wel terug. Er zijn dan precies zes uren verstreken sinds onze binnenkomst. O. blijkt toch wel een interessant geval. Hij is namelijk de enige patient die niet bloedt. De rontgenfoto's zijn zoekgeraakt maar er staan inmiddels vier doktoren uitgebreid te kloppen op en te voelen aan het kromme lichaam van de bleke O. De uiteindelijke diagnose: een ordinaire voedselvergiftiging zoals gringo's die zo vaak oplopen in Bahia. O. krijgt wat gekleurde pillen mee en het advies om vooral veel gegiste melk te drinken. 's Avonds gaat het alweer een stuk beter.

De volgende dag lopen we weer monter door de stad. Op een straathoek bestellen we, bij een dikke Bahiana, twee acaraje's.