SURINAME

Gouverneurs hebben lange tijd een belangrijke rol gespeeld bij de uitoefening van het bestuur over Suriname. Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw tot vlak na de Tweede Wereldoorlog golden zij als de duidelijkste manifestatie van het Nederlands gezag in de toenmalige kolonie.

Het ambt van gouverneur bracht verstrekkende bevoegdheden met zich mee. Hoewel in principe afhankelijk van directieven uit Den Haag verkeerde de gouverneur in de positie zijn functie voor een groot deel naar eigen goeddunken te kunnen invullen. Het is echter tekenend voor het formaat van opeenvolgende ambtsdragers dat er maar enkele gouverneurs zijn geweest die sporen in de Surinaamse geschiedenis hebben nagelaten. Tot dit selecte gezelschap behoort onder meer J. C. Kielstra, geestverwant van Colijn en hoogleraar in de staathuishoudkunde voordat hij in 1933 tot gouverneur van Suriname werd benoemd.

Op initiatief van Kielstra werd de assimilatiepolitiek beeindigd, het sinds 1863 door Nederland gevoerde beleid dat beoogde alle Surinaamse bevolkingsgroepen te laten samensmelten tot een gemeenschap. Ter bevordering van dit proces werden de Nederlandse taal en cultuur gepousseerd als bindmiddelen bij uitstek. Kielstra introduceerde een segregatiepolitiek, die tot doel had alle in Suriname levende culturen zoveel mogelijk in hun waarde te laten.

Men hoopte dat hierdoor het Nederlands gezag in Suriname gewaarborgd zou kunnen blijven. Ook wilde Kielstra via deze weg zijn ruralisatieplannen verwezenlijken. Hij meende namelijk dat er voor Suriname maar een oplossing was om uit het economisch moeras te geraken, en wel door activering van de kleinlandbouw.

De historicus Ramsoedh schetst de verdeel en heers politiek die ontstond. Kielstra nam het in het bijzonder op voor de Javaanse en (in mindere mate) Hindoestaanse bevolkingsgroepen omdat uit deze groepen de meeste kleinlandbouwers voortkwamen. Om hen aan het platteland te binden ontwierp hij een speciale huwelijkswetgeving en kondigde hij een uit Nederlands-Indie overgenomen dessa-politiek af. Als gevolg van de Tweede Wereldoorlog en verzet van de kant van de Creoolse elite leed de politiek van Kielstra uiteindelijk schipbreuk. Het is vooral deze Creoolse elite geweest die tot op de dag van vandaag het historisch oordeel over Kielstra heeft bepaald. Naar de mening van deze groep zou Kielstra een autocratisch bestuurder zijn geweest die zijn macht voor particuliere stokpaardjes zou hebben aangewend. Ramsoedh geeft de economische politiek van Kielstra beduidend meer krediet dan zijn voorgangers. Over de middelen waarmee deze politiek gestalte werd gegeven is hij echter kritisch.

Ramsoedh concentreert zich op de oorzaken en gevolgen van het beleid van Kielstra. Dit levert over het algemeen tamelijk afstandelijk proza op waarin voor de persoon van Kielstra weinig aandacht is. Desondanks is Suriname 1933-1944 een kostbare aanwinst voor de surinamistiek.