SPROOKJES BEEST

Van verhalen zoals sprookjes en mythen die eeuwenlang van generatie op generatie werden doorverteld, zijn in de regel geen oorspronkelijke versies overgeleverd. Degene die zich bezighoudt met de bestudering van orale literatuur wordt geconfronteerd met een immense hoeveelheid varianten, die alleen met elkaar zijn verbonden door een aantal steeds terugkerende motieven. Deze motieven zijn gecatalogiseerd in uitvoerige indexen, waarvan de 'Motif Index of Folk Literature' en de Aarne Thompson 'Index of Tale Types' de bekendste zijn.

Het sprookje Beauty and the Beast is in deze indexen geclassificeerd als type 425 C en behoort daarmee tot het soort sprookjes dat over een huwelijk gaat, waarin de bruid ofwel betoverd ofwel een bovennatuurlijk wezen is. Deze sprookjes komen overal ter wereld voor; bekende voorbeelden zijn de Prinses en de Kikker en het antieke sprookje van Amor en Psyche. Beauty and the Beast onderscheidt zich echter hiervan op een bijzondere wijze, omdat de oudste versies van het sprookje geschreven en bewaard gebleven zijn. Het sprookje ontstond in de saloncultuur van de 18de eeuwse Franse aristocratie en werd pas daarna opgenomen in het domein van de folkloristische literatuur.

Deze ongewone voorgeschiedenis grijpt Betsy Hearne aan om te laten zien dat de manieren waarop orale en geschreven literatuur worden verspreid, niet veel van elkaar verschillen. Hearne neemt de in 1756 door de Franse gouvernante Mme de Beaumont geschreven versie als uitgangspunt en beschrijft op basis hiervan het 19de en 20ste eeuwse 'Nachleben' van het sprookje. Dat de basiselementen van deze versie in alle door haar geselecteerde varianten terugkomen is niet zo verwonderlijk. Van de drie 18de eeuwse versies is deze het meest compact. Er zijn slechts enkele personages, de plot is eenvoudig en de aanwezigheid van het monster zorgt voor de benodigde spanning.

Of ze nu stammen uit de triviale literatuur van de 19de eeuw of uit de kinderliteratuur van de 20ste eeuw, steeds weer weet Hearne de verwantschap tussen de verschillende varianten te demonstreren. Hierdoor wordt het boek enigszins eentonig en, wat bezwaarlijker is, ook minder overtuigend. Omdat zij zich alleen concentreert op de verhaaltechnische aspecten van het sprookje, valt moeilijk vast te stellen of de verspreiding van orale en geschreven literatuur daadwerkelijk op een vergelijkbare wijze plaatsvindt. Wanneer Hearne de overeenkomsten hiertussen aan had willen tonen, dan had ze ook de sociale context van de varianten in haar onderzoek moeten betrekken. Daar is namelijk de invloed van bijvoorbeeld de veranderende technologieen op het vlak van de boekdrukkunst het grootst.