OMROEP

Nederland, het land met het merkwaardigste omroepbestel ter wereld, heeft ooit een nationale omroep gehad. De zender heette Radio Herrijzend Nederland, kwam op dinsdag 3 oktober 1944 vanuit het al bevrijde Eindhoven in de lucht en verhuisde na 5 mei 1945 zelfs naar Hilversum - om daar het medium weer op te bouwen. Dat kon echter nooit lang duren, de bestuurders van de vooroorlogse omroepverenigingen lieten het er niet bij zitten. In januari 1946 kondigde de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen een overgangsregeling aan en ruim een jaar later waren die oude omroepen alweer terug. De pioniers uit het zuiden werden door de bewindsman met zoete woorden aan de kant gezet: 'Wij zijn den mannen van Herrijzend Nederland grooten dank verschuldigd. Onder vaak zeer moeilijke omstandigheden hebben zij in de behoefte van luisterend Nederland weten te voorzien en dikwijls veel goeds gegeven.' De geschiedenis van Radio Herrijzend Nederland (en die van het daaropvolgende Radio Nederland in den Overgangstijd) is nooit ordentelijk beschreven. Maar een van de mannen van het eerste uur, de latere Philips-perschef Sjoerd de Vrij, heeft nu een bundeling gemaakt van zijn reportages uit de jaren 1944 en 1945, aangevuld met latere herinneringen aan die tijd. Het is een rommelige verzameling typoscripten en artikelen, ongedateerd en niet geredigeerd, zodat soms over een gebeurtenis - zoals zijn gesprek met de pas gearresteerde Mussert - drie keer wordt geschreven. Verwarrend ook, omdat bij geen enkel stuk in een oogopslag duidelijk is van wanneer het dateert - van toen of van later.

En toch vind ik Op de golflengte van Radio Herrijzend Nederland de moeite waard, want De Vrij was op de fiets of per jeep aanwezig bij cruciale momenten in de laatste maanden van de oorlog en de eerste maanden daarna. Hij bezocht het hongerende Amsterdam, keek rond in het pas bevrijde Parijs, liep door platgebombardeerde Duitse steden en woonde in Neurenberg de nazi-processen bij. Zijn authentieke verslagen zijn heet van de naald genoteerd, zonder de reflectie van later datum, in de robuuste verslaggeverstaal die in die tijd vrijelijk feiten en meningen vermengde. In zijn woorden klinkt het tromgeroffel van die tijd. 'Wij zullen niet rusten voor de laffe bende gewetenlooze schurken tot den laatsten man uit ons land is verjaagd, 'sprak hij in november 1944 door de microfoon. 'En daarbij zullen we het niet laten - we zullen ze straffen met niets ontziende middelen.' De kracht van de bundel schuilt in die onmiddellijke reacties op de taferelen die hij zag en die hij met bewonderenswaardige gedetailleerdheid beschreef. Zijn teksten zijn documenten geworden, die hun zeggingskracht ontlenen aan de directe reactie. Geen historicus kan de sfeer van die maanden zo goed navertellen, ook De Vrij zelf niet. De stukken die hij later elders over die tijd publiceerde, verbleken naast zijn eigen radioteksten van 45 jaar geleden. Niemand (met uitzondering wellicht van een Engelse minister) zou nu nog zulke striemende opmerkingen over de Duitsers maken: 'Het Duitsche volk in doorsnee is nu eenmaal onbetrouwbaar, vooral in moreel opzicht, en dat geldt voor de arbeiders, maar meer nog voor de zoogenaamde intellectuewelen: professoren, doctoren, rechters, juristen, schrijvers, musici en tot welke andere beroepen ze ook mogen behooren. Het percentage Duitschers, dat inderdaad betrouwbaar was, vertoeft in het buitenland of is inmiddels dood geslagen. Hun aantal is trouwens zoo gering, dat het nooit een maatstaf kan zijn voor een juiste beoordeeling.'

Maar langs die lijnen werd in 1945 inderdaad gedacht - en bovendien kon De Vrij zijn stelling waarmaken aan de hand van de gesprekken, die hij met vertegenwoordigers van het pas overwonnen volk had gevoerd. Het ergerde hem dat zij zichzelf, net als hij, beschouwden als slachtoffers van Hitler.

Ook om een andere reden vormen zulke authentieke geschriften de beste graadmeter van de tijdgeest. In niet een van de verslagen wordt uitvoerig gerapporteerd over de jodenvervolgingen. Dat is, anno heden, een verbijsterende vaststelling. Maar er blijkt uit hoe weinig aandacht er op dat moment in Nederland voor bestond. De eigen noden, de morele verwildering in de grote steden en de straf voor de bezetters waren kennelijk de kwesties, die de luisteraar bezighielden - niet de moord op de joodse landgenoten en het lot van de luttele overlevenden. Aan hun terugkeer en hun ervaringen wordt in deze reportages geen woord gewijd. Ik neem dat De Vrij niet kwalijk; ik signaleer alleen dat het blijkbaar geen onderwerp was waarvoor toen veel interesse bestond.

Op 5 mei 1945 vroeg koningin Wilhelmina aan twee journalisten hoe het er de laatste maanden in bezet gebied was toegegaan. Drie kwartier lang luisterde ze naar de verhalen van De Vrij en een van zijn collega's. Ze dankte hen hartelijk, stond op en zei opeens, uit de grond van haar hart: 'Wat hebt u toch een interessant beroep!' De ongepolijste reportages in deze bundel vormen daarvan een fascinerende bevestiging.