Nieuwe kansen voor zeehond in de Oosterschelde

NEELTJE JANS, 18 aug. - De zeehond is nooit helemaal weggeweest uit de Zeeuwse wateren, maar wat er van de oorspronkelijke populatie nog rest, is niet meer dan een schamel overblijfsel - een 'relict' om met dr. P. Reijnders, zeehondenexpert bij het Rijksinstituut voor Natuurbeheer op Texel, te spreken. In de jaren twintig werden in de delta nog ongeveer 1.300 exemplaren van dit zeezoogdier geteld; in 1960 bedroeg het aantal 300 en nu zijn het er hooguit twintig, die zich voornamelijk in Oosterschelde en Westerschelde ophouden.

De achteruitgang van de zeehondenstand, in de Zeeuwse en Zuidhollandse stromen, maar ook in de Waddenzee, was aanvankelijk te wijten aan de jacht. Nadat in 1962 de jacht was gesloten, eiste de toenemende watervervuiling een hoge tol. Ook uiteenlopende vormen van verstoring, vooral door de recreatievaart, droegen bij aan de neergang en daar kwam de afsluiting van diverse zeegaten nog bovenop. Ten slotte bleef ook de 'delta'-zeehond niet gespaard voor de rampzalige virusziekte van 1988, die de stand op het wad decimeerde.

Toch zijn er volgens Reijnders nog kansen voor de Zeeuwse tak van de familie. Hij stelt dit vast na een experiment waarbij vijf jonge zeehonden uit het opvangcentrum van Lenie 't Hart te Pieterburen in de Oosterschelde werden losgelaten en onderworpen aan onderzoek naar hun gedrag en overlevingskansen. De dieren van beiderlei kunne hadden een zendertje met antenne opgeplakt gekregen, waarvan de signalen met telemetrie-apparatuur werden opgevangen. Ook zijn ze met de verrekijker en het blote oog geobserveerd. De proef voltrok zich tussen maart en september vorig jaar en kort geleden bracht Reijnders namens het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN) hierover verslag uit. Dat gebeurde op verzoek van de directie natuur-, milieu- en faunabeheer van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij.

Dit departemensonderdeel is erop uit de zeehondenstand in de Oosterschelde te versterken: een streven dat past in het algemene Haagse beleid met betrekking tot deze zee-arm, waar eb en vloed nog vrij spel hebben. Binnenkort is de officiele aanwijzing van de Oosterschelde tot staatsnatuurmonument te verwachten, terwijl in een beleidsplan voor dit gebied de natuurfunctie nadrukkelijk voorop staat.

Ook Reijnders ziet mogelijkheden: 'Door het rijke voedselaanbod en het aantal beschikbare zandbanken is de Oosterschelde in principe een geschikte habitat voor zeehonden. Sinds de bouw van de Oesterdam en de Philipsdam kan bovendien het verontreinigde Rijnwater niet meer rechtstreeks in de Oosterschelde terechtkomen'.

Dat wil echter niet zeggen dat de Oosterschelde brandschoon is, verre van dat. Nog altijd komt hier vuil Rijnwater - en nog smeriger Scheldewater - via de Noordzee naar binnen en ook het bodemslib laat regelmatig schadelijke residuen los. Daaronder bevinden zich de beruchte pcb's (polychloorbifenylen), waarvan vaststaat dat ze de voorplanting bij zeehonden sterk afremmen. 'Ook in de Oosterschelde', waarschuwt Reijnders, 'komen soms vrij hoge pcb-concentraties voor'. In zijn rapport concludeert hij dat de proef met de vijf zeehonden uit de Groningse creche puur technisch met succes is verlopen. Maar hij laat er onmiddellijk op volgen: 'Ecologisch gezien zijn er echter ernstige bezwaren tegen een voortzetting. Gezien de hoge verstoringdruk is het biotoop voor zeehonden in de Oosterschelde momenteel van onvoldoende kwaliteit om een levensvatbare populatie te herbergen'. De man van het RIN doelt met 'verstoringsdruk' op een reeks menselijke activiteiten, waaronder de recreatievaart, vooral die met motorjachten, rondvaarten met de 'Christiaan B', uitgerust met een schallende luidspreker, vanaf het voormalige werkeiland Neeltje Jans, laagvliegend luchtverkeer, het pierensteken en de kokkelvisserij. Zeehonden zoeken bij laag water graag een zandbank op ter verpozing, maar verlaten die plek weer ijlings zodra hun rust wordt verstoord en dat blijkt om de haverklap te gebeuren. Hier is dus sprake van gedragsbeinvloeding, die volgens Reijnders zelfs kan leiden tot vermindering van overlevingskansen.

Daarom zou het uitzetten van zeehonden om het armzalige restant van de Zeeuwse kolonie te versterken, naar zijn stellige overtuiging alleen zin hebben als aanvullende beheersmaatregelen worden getroffen. Op grond van de waarnemingen zijn twee lokaties aan te wijzen die zich in het bijzonder lenen als zeehondenligplaats: de Roggenplaat/Oliegeul in de westelijke Oosterschelde dicht bij de pijlerdam en de Vondelingenplaat ergens in het midden van de zeearm. Aanbevolen wordt om in het bijzonder de Oliegeul permanent af te sluiten en daaromheen een beschermd gebied in te stellen, dat streng verboden is voor menselijke bezoekers.

Bovendien zou voor het hele Oosterscheldebekken een wettelijke verplichting moeten gelden om in alle fuiken zogeheten keerwant aan te brengen. Dit om verdrinking van zowel uitgezette als wilde zeehonden te voorkomen. Een van de vijf, met een zender uitgeruste exemplaren is op die manier om het leven gekomen. Het dier werd al een week na de tewaterlating op 40 mijl ten westen van IJmuiden door een visser dood in zijn sleepnet gevonden.

Afgezien van dit sterfgeval verliep de proef naar wens. 'De overige uitgezette dieren', aldus Reijnders, 'hebben zich goed aangepast aan het leven in de Oosterschelde. Ze waren snel in staat zelfstandig voedsel te vinden en ontwikkelden binnen twee weken een activiteitenpatroon conform dat van hun wilde soortgenoten'.

Van die laatste zijn er over de hele proefperiode in totaal acht, ook meest jonge dieren, waargenomen.

Een van de aardigste bevindingen was dat er van concurrentie of vijandig gedrag tussen de twee groepen geen sprake was, daarentegen wel van 'speelse interacties' op de zandbank. Reijnders: 'Wat in april en mei opviel, was dat een van de zeehonden met zender bijna uitsluitend met een zeehond zonder zender speelde. Vaak lagen ze naast elkaar op de plaat. Eens werd gezien dat de bezenderde zeehond die al op de zandbank lag, langs drie andere zeehonden kroop om naast zijn vriendje te gaan liggen, die net was aangekomen'.