Lauw onthaal voor verloren zoon Beckmann in Leipzig

Het plan voor de eerste overzichtstentoonstelling in de DDR van schilderijen van de Duitse schilder Max Beckmann bestond al voor de omwenteling die zich vorig jaar in de DDR voltrok. Decennia lang was Beckmann in dit land doodgezwegen, ofschoon heel wat schilders in het 'andere Duitsland' aanwijsbaar zijn invloed hebben ondergaan. Dat Beckmann onder het nazi-regime als 'ontaard' kunstenaar in 1937 Duitsland had verlaten voor tien jaar ballingschap in Amsterdam en drie jaar in de Verenigde Staten, was kennelijk niet genoeg aanleiding hem tot een 'persona grata' van de socialistische kunstpolitiek te maken.

Het taboe op het werk van deze zoon van een Leipziger graanhandelaar was al doorbroken in 1984, toen ditzelfde Museum voor Beeldende Kunst in Leipzig erin was geslaagd een tentoonstelling te organiseren van werk van Beckmann dat in DDR-verzamelingen aanwezig was. Die expositie bleef noodzakelijkerwijs beperkt tot jeugd- en grafisch werk.

De afspraken voor de huidige tentoonstelling werden vorig jaar ingebed in het Duits-Duitse cultuurverdrag. Het Stadel-museum in Frankfurt am Main zou werk uit Westduits bezit en ook uit het Stedelijk Museum in Amsterdam organiseren, en het museum in Leipzig zou in 1992 in Frankfurt op de proppen komen met werk van Max Klinger. De transactie kon zo met gesloten beurzen plaatsvinden. En dat was de belangrijkste voorwaarde voor een tentoonstelling als deze. Want het SED-regime verpastste wel voor veel geld Oostduits antiek in het Westen, maar gaf niet thuis als het ging om voor culturele uitwisseling harde valuta ter beschikking te stellen.

De beoogde uitwisseling heeft plaatsgevonden zoals was voorzien, maar de omwenteling in de DDR en de daarmee gewekte internationale goodwill hebben aan de tentoonstelling een onverwachte wending gegeven. Amerikaanse verzamelaars en musea, die een groot deel van Beckmanns interessantste werk bezitten, bleken bereid doeken naar Leipzig te zenden. En zo ontstond de grootste overzichtstentoonstelling van werk van Beckmann tot nu toe, een mammoetexpositie van 97 doeken, waarvan vele voor het eerst de oversteek over de oceaan hebben gemaakt.

Ze hangen in de statige hallen van het voormalige Reichsgericht in Lepizig, waar in 1933 onze landgenoot Rinus van der Lubbe tot de doodstraf is veroordeeld wegens het in brand steken van de Rijksdag. Het Museum voor Beeldende Kunst in Leipzig is in dit gebouw gevestigd sinds de oorlog, waarin het museumgebouw door bommen werd vernietigd. Voor nieuwbouw was nooit geld in de DDR, al was er wel grond voor een nieuw museum gereserveerd.

Onder de uit Amerika overgebrachte doeken moet vooral Argonauten worden genoemd, ontstaan in het jaar van Beckmanns overlijden en een van twee aanwezige omvangrijke triptieken. In zijn zeer uitvoerige symboliek is Argonauten in veel opzichten de bekroning van Beckmanns werk. Want in hoeveel verschillende stijlen Beckmann zich ook heeft uitgedrukt, altijd is zijn werk figuratief geweest en geeft door de aanwezigheid van soms verborgen motieven en relaties tussen afgebeelde personen steeds aanleiding tot langdurig kijken en beschouwen. Dat geldt evenzeer voor Beckmanns talrijke zelfportretten, waarvan er in Leipzig maar liefst zestien hangen.

De staf van het museum in Leipzig had ook kleine tegenslagen te verwerken. Zo had men graag een stilleven dat zich tot 1937 in Leipzig bevond en tegenwoordig in het Staatsmuseum van Beieren hangt, voor de duur van de tentoonstelling weer willen ophangen. Het doek was geconfisqueerd voor de beruchte tentoonstelling over 'Entartete Kunst' die in 1937 in Munchen werd gehouden, en waarop Beckmann met zeven doeken was vertegenwoordigd. Die doeken zijn later niet vernietigd of verbrand, zoals men misschien zou verwachten, maar voor veel geld door de nazi's aan het buitenland verkocht of in sommige gevallen zelfs voor dollars geveild. Een van de kopers had na de oorlog de goede smaak het stilleven in kwestie naar het land van herkomst te laten terugkeren. Een van de voorwaarden van de schenking aan het Beierse museum was echter dat het doek nooit meer een grens zou overgaan. Leipzig had voor deze tentoonstelling dus het nakijken.

Maar de medewerkers van het museum in Leipzig zouden dezer dagen graag willen dat het ontbreken van een gewenst doek hun grootste probleem was. Als overal in de DDR-maatschappij heerst onder hen grote onzekerheid over de toekomst van het museum, en daarmee over hun eigen toekomst. Het voormalige Reichsgericht, door een wonder aan het oorlogsgeweld ontsnapt en slechts in beperkte mate geschikt voor exposities als deze, is evenals het andere resterend stedeschoon in Leipzig, decennia lang aan luchtvervuiling en verval overgeleverd. Restauratie van het in 1887 geopende gebouw lijkt geboden, maar daarna zal het wellicht opnieuw door de Duitse justitie in gebruik worden genomen. En in dat geval komt het museum voor de tweede keer in zijn bestaan op straat te staan, zonder geld voor nieuwbouw.

Deze gang van zaken stijft de medewerkers van het museum in een door veel Oostduitse intellectuelen gedeelde teleurstelling over de resultaten van hun revolutie, die vooral in de 'heldenstad' Leipzig door intellectuelem gedragen werd en zeer emotioneel beleefd is. Het geestelijk en cultureel reveil waarvan men in november vorig jaar droomde, lijkt ten onder gegaan in een orgie van Westerse bierblikjes, faillissementen en andere materialistische uitingen van Duitse eenheid.

Tot het gevoel van teleurstelling draagt nog bij dat deze unieke Beckmann-tentoonstelling slechts mondjesmaat door burgers uit Leipzig en de rest van de nog-DDR wordt bezocht. De meeste bezoekers komen uit West-Duitsland, en ook Nederlandse nummerborden ontbreken niet op het tot parkeerplaats verworden plein voor het museum. De tentoonstelling is de reisalleszins waard.