Irak; Geschiedenis, zeden en gewoonten

Het geschiedde in de dagen dat de Kleine Satan heerste over het bovenste uiteinde van de Vruchtbare Maansikkel, de strook bouwland die in een boog van de Jordaanvallei door Syrie en Irak loopt tot de monding van de Sjatt al Arab. Zijn onderdanen hadden zojuist gehoord dat ze acht jaar lang voor niets oorlog hadden gevoerd, dat alle offers, alle doden, alle verminkingen geen zin hadden gehad. Bitterheid en woede moet hun harten zijn binnengeslopen, want er was haast niemand die in zijn of haar familie niet tenminste een gesneuvelde, vermiste of krijgsgevangene te betreuren had. Wie weet hoeveel onverzoenlijke haat president Saddam Hussein tegen zichzelf bij zijn volk zaaide op het moment dat hij probeerde zijn vroegere aartsvijand, die hem de Kleine Satan noemde, aan de borst te drukken? En wat zouden daarvan de gevolgen kunnen zijn? Dat wij het niet weten, komt in eerste instantie doordat de Irakezen wijzer zijn dan openlijk in machteloze boosheid en verdriet hun vuisten te ballen. De man die voor het theehuis rustig de band van zijn auto staat te verwisselen, de schijnbaar wezenloos naar buiten starende medereiziger op het bovendek van een dubbeldeks stadsbus in Bagdad, de koopjeskijker in de bazaar van Mosoel, zij allemaal plus de eigen kinderen zouden verklikkers van president Saddam Hussein kunnen zijn. Over wat er gebeurt met degenen die door Saddams beulen worden opgehaald, wordt in Irak zelfs in familiekring nauwelijks gesproken. Maar zij die er vanaf komen met slechts de teennagels uitgerukt, mogen het humanisme van de grote leider prijzen.' De controle van het regime is zo totaal dat Saddam zich niet al te bezorgd hoeft te maken over de weerslag van zijn manoeuvre op de Iraakse publieke opinie', schreef het Britse dagblad The Guardian na Saddams verrassende aanvaarding van de Iraanse vredesvoorwaarden. Hoewel dat op termijn wel eens anders zou kunnen worden, is het voorlopig wel een verklaring voor de daverende stilte in de Mesopotamische laagvlakte.

Afgezien van deze hinderpaal voor het peilen van de stemming in Irak is het land zelf bijna verdwenen achter de berichten over troepenverplaatsingen, boycot en crisisdiplomatie. In vergelijking met de meeste andere Arabische landen geniet het ook weinig bekendheid, al valt in de pers de naam van Irak al jaren bijna elke dag. Irak ligt niet aan de Middellandse Zee, wat de toegankelijkheid vanuit Europa niet bevordert. Het heeft geen gemeenschappelijke grens met Israel, hetgeen een reden voor extra nieuwsgierigheid van in elk geval de nieuwsmedia zou hebben opgeleverd, en het mist het aura van exotische geheimzinnigheid dat om de emiraten aan de Perzische Golf hangt. Toch gaat het om een staat van bijna een half miljoen vierkante kilometer. Geen enkel ander Arabisch land heeft binnen zijn grenzen zoveel verschillende landschappen: uitgestrekte moerassen en meren tussen Basra en Bagdad in het hart van het land, woestijn in het westen en gebergte in het noorden langs de grens met Turkije. Deze streken worden bewoond door in totaal zeventien miljoen mensen, voor tachtig procent Arabieren, maar ook Koerden en Turkstalige minderheden.

Ook voor de Arabische broedervolken gelden de Irakezen enigszins als een buitenbeen. Hoe cultureel homogeen de Arabische natie er voor de vreemdeling ook mag uitzien, onderling hebben de verschillende volken vrij kernachtige typeringen voor elkaar. De Arabieren in Noord-Afrika en in Egypte vinden de Iraki's 'hard', 'schreeuwerig', 'arrogant' en 'zelfingenomen' (omgekeerd gelden de Egyptenaren voor Irak als 'losbollen'). Gezamenlijk minachten zij de als 'cultuurloos' beschouwde nomaden op het Arabisch schiereiland.

In zekere zin is dit Irakees gevoel van eigenwaarde en trots op een geschiedenis die teruggaat tot de Mesopotamische beschavingen (zie 1 - Stamvaders) een bewijs dat er zoiets als een Irakese natie is ontstaan (al zullen de Koerden, traditioneel het kind van de rekening, dit stellig niet beamen). Daar zag het in 1920, toen Engeland beslag legde op de voormalige Turkse provincies Bagdad, Basra en Mosoel om er een Brits protectoraat van te maken, niet naar uit. De Arabieren noemen 1920 nog steeds 'het rampjaar'. Het was het jaar waarin het Midden-Oosten werd opgedeeld in Britse en Franse invloedssferen. Het jaar waarin duidelijk werd dat de Engelsen de in 1916 gegeven belofte de Arabieren onafhankelijkheid te geven in ruil voor hun rebellie tegen Duitslands bondgenoot Turkije, aan hun laars lapten. Deze woordbreuk heeft de hele Arabische wereld, ook Irak, blijvend anti-westers gemaakt.

In het door Britse machinaties aaneengesmede Irak waren ineens allerlei volkomen verschillende bevolkingsgroepen tot elkaar veroordeeld. Behalve Arabieren woonden er christenen, joden - alleen al in Bagdad waren het er honderdduizend - en Koerden. De bevolking was ook weer opgesplitst in een shi'itische meerderheid en een sunnitische minderheid (de shi'ieten erkennen, in tegenstelling tot de sunnieten, slechts een van de vier rechtstreekse opvolgers van Mohammed als de enige echte). Tussen deze beide religieuze stromingen knisterde het van de spanningen, die door de Engelsen in het kader van een verdeel-en-heers-politiek werden aangewakkerd. Zo werd hetofficierskorps van het nieuwe Iraakse leger met opzet gerecruteerd uit desunnitische minderheid, die dus het bevel kreeg over een overwegendshi'itisch leger. Het is dan ook geen toeval dat de huidige oppersteveldheer van Irak een sunniet is. Voor Saddam Hussein was het geen moreel probleem zijn leger in 1980 op het shi'itische Iran af te sturen, maar wel voor zijn shi'itische soldaten. Saddam gokte erop dat zijn soldaten het feit dat Iraniers geen Arabieren zijn, zwaarder zouden laten wegen dan hun weerzin om tegen geloofsgenoten te vechten. Hij kreeg gelijk.

Maar voordat er kennelijk een soort Irakese identiteit was gegroeid die prevaleerde boven andere loyaliteiten, was er een lange weg te gaan. Wrijvingen tussen de bevolkingsgroepen onderling hebben de recente geschiedenis van Irak bepaald. Koerdische opstanden tegen het Arabische bewind zijn vanaf 1922 een even geregeld als vruchteloos fenomeen geworden. In de jaren twintig zijn de Assyrische christenen uitgeroeid. De joden werd het leven met pogroms zo lastig gemaakt dat ze na het uitroepen van de staat Israel collectief daarheen zijn geemigreerd zodra Bagdad hen liet gaan. De shi'iten kwamen in opstand tegen de sunniten, die door hun machtsbasis in het leger de dominerende groep in Irak waren geworden. Wat het aantal mislukte en geslaagde staatsgrepen betreft, steekt Irak elke bananenrepubliek naar de kroon. Alle strijd om de macht ging gepaard met een voor westerlingen onbegrijpelijke alledaagse wreedheid en gewelddadigheid (zie 2 - De wet van de woestijn).

Het is de verwarrende paradox van Irak dat zich juist in de schijnbaar zo chaotische reeks van bloederige coups en snelle machtswisselingen de enige constante openbaarde die tot een Irakese natie kon leiden: de afkeer van het Westen, die hebben alle Irakezen gemeen. Inzet van de meeste al dan niet geslaagde putschpogingen was het afzetten en vervolgens fileren van de pro-westerse machthebber van het moment. Onder'pro-westers' wordt hierbij verstaan 'pro-Brits'. Formeel was Engeland sinds1930 geen baas meer in Irak, maar in verband met de oliebelangen was devoormalige 'beschermer' wel voortdurend op de achtergrond. Menigestaatsgreep is ook door Brits ingrijpen verijdeld of teruggedraaid, wat de Arabische frustraties alleen maar deed toenemen. Pas in de late jaren vijftig, toen na Nassers zege in de Suezcrisis een golf van pan-Arabisch enthousiasme door Arabie sloeg, ontstond er een klimaat waarin een regime dat niet op westerse belangen was gericht, een kans van slagen kreeg. Desondanks duurde het nog tot 1968 voordat de aanhangers van de pan-Arabische en op socialistische leest geschoeide Ba'ath-beweging (zie...) in het leger na de zoveelste staatsgreep de macht definitief in handen kregen. Uit de Ba'ath-gelederen kwam tenslotte Saddam Hussein naar voren. (zie 3 - Machtswisselingen)Leek een Iraakse hartewens nu eindelijk verwezenlijkt, daartegenover stond een probleem dat theoretisch dynamiet had kunnen zijn: De Ba'ath-beweging werd in hoofdzaak bevolkt door sunnieten (zie 4 - De Ba'ath, het gelijk van de minderheid). Wederom had de shi'itische meerderheid het nakijken. Per definitie creeerde de potentiele dreiging die daarvan uitging, voor Saddam de noodzaak een sterk onderdrukkingsapparaat op te bouwen. Toch leunde, zeker tot 1980, zijn dictatuur niet alleen op de doelmatigheid van zijn geheime politie.

Zijn duidelijk anti-westerse en anti-Israelische gezindheid maakte veel goed, niet in de laatste plaats omdat zijn verbale compromisloosheid gepaard ging met een geleidelijke stijging van de welvaart. Het geografische voordeel dat Irak geen gemeenschappelijke grens met Israel heeft, leidde ertoe dat Irak nauwelijks schade van de Arabisch-Israelische confrontaties ondervond, maar wel profiteerde van de stijgende olieprijzen in de jaren zeventig. Saddam kocht van de binnenstromende miljoenen niet alleen royaal wapentuig, maar deed ook reusachtige investeringen in infrastructuur, onderwijs en sociale voorzieningen. Westerse ondernemingen verdrongen zich om met de despoot, wiens bewind wreed maar stabiel was, zaken te doen. Het analfabetisme werd aangepakt, moerassen werden drooggelegd, Bagdad werd gedeeltelijk herbouwd. Een kenmerkend straatbeeld in Irak werd de eindeloze colonne vrachtauto's met voorraden en bouwmaterialen. Doordat Irak sinds onheuglijke tijden deel uitmaakt van de Vruchtbare Maansikkel dankzij de vruchtbare laagvlakte tussen Eufraat en Tigris, was hongersnood toch al een onbekend verschijnsel, maar in de jaren zeventig groeide er zelfs een klein Wirtschaftswunder. Er is een bescheiden middenklasse ontstaan, die reden heeft (of had) Saddam Hussein dankbaar te zijn.

Nu het mode is Saddam te vergelijken met Adolf Hitler, zouden de gedachten kunnen uitgaan naar wat de Duitse journalist en historicus Sebastian Haffner in zijn Anmerkungen zu Hitler schreef: als Hitler in 1937 was gestorven, zou hij mogelijk de geschiedenis zijn ingegaan als een bewonderd staatsman, die zijn land uit een economische, politieke en morele crisis haalde ten koste van enige schoonheidsfouten in zijn bejegening van joden en andersdenkenden. Als Saddam van het toneel was verdwenen in 1979, zou Irak hem misschien op dezelfde manier hebben herdacht. Helaas voor het land, helaas voor Saddam, helaas voor wie niet eigenlijk, haalde Irak onder Saddam 1980, het nieuwe rampjaar.

1. Stamvaders

De Irakezen hebben in het Midden-Oosten de naam arrogant te zijn. 'Zij voelen zich in zekere zin ook superieur aan andere Arabieren, 'zegt de Iraakse politicoloog van Koerdische afkomst Fuad Hussein, die al vele jaren in Nederland woont. 'Zij zijn trots op hun lange geschiedenis; ze hebben het idee dat de historie van de mensheid bij hen begint, bij de Mesopotamische beschaving. Abraham, Noach, Nebukadnezar en Hammurabi van Babylon rekenen ze tot hun rechtstreekse voorvaderen.' De bijbelse aartsvader Abraham zou in het begin van het tweede millenium voor onze jaartelling vanuit Ur zijn volk uit Mesopotamie hebben meegevoerd. Ur ligt aan de benedenloop van de Eufraat. Meso-Potamos is Grieks voor 'tussen de rivieren', cq de Eufraat en de Tigris. De stad werd tijdens het derde millenium v. C. door de Soemeriers gesticht. Vanuit Ur, toen nog een zeehaven werd omstreeks 2500 v. C. met Tilmun en Magan (resp. Bahrein en Oman) handel gevoerd. Een andere beroemde stad in dit gebied, Babylon, poort van god, werd door de Akkadiers gebouwd. In de bijbel wordt deze stad op een lijn gesteld met zonde en verval. De ark van Noach zou ergens op de berg Ararat gestrand zijn.

Twee belangrijke leiders waar Saddam Hussein zich mee vereenzelvigt zijn Hammurabi en Nebukadnezar. Hammurabi (1728-1686 v. C.), koning van een Westsemietische volksstam, versloeg het machtige Assyrie en breidde de macht van de kleine stadstaat Babylon uit. Hij is niet alleen als veldheer, maar ook als wetgever te boek komen te staan. Centraal in zijn wetten stond de wedervergelding: oog om oog, tand om tand. De straffen die hij uitvaardigde varieerden van zweepslagen, het toebrengen van verminkingen, aan de spies rijgen, tot verbranden en verdrinken.

Rond 1100 v. C. kwam Babylon onder Assyrische heerschappij. Pogingen van de Babyloniers zich van de Assyriers te bevrijden liepen op niets uit. Na zo'n opstand in 689 v. C. reageerde de Assyrische koning Sanherib: 'Ik zal in de stad erger tekeer gaan dan de zondvloed.'

Maatregelen waren zelden half, of het nu om het neerslaan van een opstand ging of om straffen. De literatuur vermeldt als straffen het afsnijden van oren, lippen, vingers en testes en het vernietigen van gezichten door het aanbrengen van kokend asfalt.

De Assyriers hebben over het algemeen geen goede pers. Ashur Nars-Pal (883-859 v. C.) heet de wreedste koning te zijn die dit volk heeft voortgebracht. Onderworpen volken zouden door hem in een staat van voortdurende angst zijn gehouden. Hij zou een voorkeur voor spietsen en massaexecuties hebben gehad. Een andere heerser zou weer op grote schaal gebruik hebben gemaakt van dwangarbeid. Een gebruik waar ook Nebukadnezzar II, de grote koning van Babylon (604-562v. C.) op terug viel. Na de vernietiging van Jeruzalem in 587 voor onze jaartelling, stelde hij Joden te werk aan een van de zeven wereldwonderen, de hangendetuinen van Babylon. Pas rond 540 v. C. , toen de Perzische koning Cyrus Mesopotamie binnenviel, werden de Joden in de gelegenheid gesteld naar Jeruzalem terug te keren. In de eerste eeuw na Christus was de stad, ooit de grootse ter wereld, nagenoeg verlaten.

Minder een reden voor trots, in tegendeel een voortdurende reden tot haat, is de telkens terugkerende overheersing door de Perzen. Onder Omar (634-644) werd het Perzische rijk der Sassanieden (226-651), waartoe ook Irak behoorde, veroverd. Bij de beroemde slag van Qadissya in 637 n.C. versloegen de semietische, geislamitiseerde Arabieren de indo-europese Perzen. Tijdens het recente Irak-Iran conflict speelde deze slag een belangrijke rol in de Irakese oorlogspropaganda. Saddam Hussein mag zich na Hammurabi en Nebukadnezar ook graag vergelijken met Saladin. Salah al-Din (een Koerd overigens) versloeg de Kruisvaarders tijdens de slag bij Hattin (1187) en beeindigde de westerse bezetting van Jeruzalem. Deze grote veldheer sloot echter ook een verdrag met de Frankische leider Richard Leeuwenhart waardoor de kruisvaarders een plek aan kust van Palestina konden blijven bezetten.

Een andere favoriete historische figuur is Harun al-Rashid (786-809) die de hoogtijdagen van de Abbassieden - ons bekend uit Duizend en een nacht, en de verhalen van Sinbad de zeeman - vertegenwoordigt. Mesopotamie is in de loop der tijd steeds het frontgebied geweest tussen Turco-Mongoolse volken uit het noorden, semieten uit het zuiden en Meden (waar de Koerden van zouden afstammen) en Perzen uit het oosten. De twintigste-eeuwse conflicten tussen Irak, Egypte, Turkije en Iran laten zich tot ver voor onze jaartelling terugvolgen. Iedere keer weer werd een bloeiend rijk gesticht, ontstonden steden, legendarisch om hun rijkdom, en even zovele keren werden de rijken vernietigd en de steden geplunderd. Circa 1630 werd Mesopotamie verdeeld tussen de Perzen in het oosten en de Turken in het westen.

Dat Saddam Hussein kort geleden heeft laten ontdekken dat hij eigenlijk ook familie is van de profeet Mohammed, wordt algemeen wel gezien als een plompe poging om in te spelen op islamitisch-fundamentalistische sentimenten. 'Maar het idee van Irak als de bakermat van de geschiedenis is niet alleen propaganda van Saddam, 'aldus Fuad Hussein. 'Het is een beeld dat veel Irakezen van zichzelf hebben.'

Wie meent dat deze vorm van historisch besef enigszins overdreven aandoet, vergeet dat alle volkeren van het Midden-Oosten, de joden en de christenen net zo goed als de Arabieren, geschiedenis ervaren als iets dat gisteren is gebeurd, ook al is het duizenden jaren geleden.

2. De wet van de woestijn

Veel auteurs die over Irak schrijven wijzen op het gewelddadige karakter van deze samenleving. Het is ook onmogelijk de talloze wreedheden die in dit land begaan zijn te negeren. Le Monde verslaggever Paul Balta verklaart de bloeddorstigheid die de gebeurtenissen in deze regio zo een eigen kleur geeft met een verwijzing naar het vigerende politieke credo: 'Macht moet men door kracht veroveren en met geweld bewaren'. Om in het recente verleden te blijven, tijdens de machtsovername van 1958 werden koning Feisal II, zijn oom kroonprins Abdul Illah, verscheidene vrouwen plus nog een aantal hofdienaren gedood. De werkelijke machthebber van Irak, eerste minister Nouri Said, bijgenaamd 'de vos van Bagdad', trachtte verkleed als vrouw Bagdad te verlaten, doch werd ontdekt. Zo gehaat had Said zich met zijn gewelddadige bewind gemaakt dat hij uiteindelijk als 'een dier werd opgejaagd' voor hij, aldus Balta, 'op beestachtige wijze door de menigte om het leven werd gebracht'.

Soldaten poogden nog heimelijk zijn stoffelijke resten te begraven, maar men groef zijn lijk op, bond het achter een auto en reed ermee door de stad. Een lot dat vele hoogwaardigheidsbekleders van het oude regime in de dagen die daarop volgden ook ondergingen. Een uiting van volkswoede die bij Balta onbedwingbaar een beschrijving in herinnering roept van de bloeddorstige wijze waarop het bewind der Ommayaden door de Abbassiden beeindigd werd. In From Beirut to Jeruzalem doet Pulitzer-prijswinnaar Thomas Friedman een poging de functie van het geweld en de wraakzucht - niet alleen in Irak, maar in het gehele het Middenoosten - te begrijpen. Hij gebruikt daartoe een Bedoeinen-legende van een oude man en een kalkoen. Een oude man is er van overtuigd dat hij door het eten van kalkoenvlees weer viriel wordt. Hij mest het dier vet, maar op een dag is de kalkoen weg, gestolen. Hij roept zijn zonen bijeen en zegt: 'Wij zijn in gevaar, in vreselijk gevaar. Mijn kalkoen is gestolen.' Zijn zonen nemen hem niet serieus en de vader wil niet zeggen waarom de kalkoen voor hem belangrijk is. 'Het gaat er niet om waar ik die kalkoen voor nodig heb, het gaat er om dat hij gestolen is en dat ik hem terug moet.'Een paar weken later wordt de kameel van de oude man gestolen. 'Wat moeten we doen?' vragen de zoons ontdaan. 'Vindt de kalkoen', antwoordt de vader. Weer een paar weken later wordt zijn paard gestolen, en weer zegt de vader tegen zijn zoons: 'Vindt mijn kalkoen.' Tenslotte wordt de dochter van de oude man verkracht. De vader gaat naar zijn zoons toe en zegt: 'Dit komt er van. Toen ze eenmaal merkten dat ze ongestraft mijn kalkoen konden meenemen verloren we alles.'

Volgens Friedman illustreert dit verhaal de wet van de woestijn. In de woestijn, zegt hij, zijn de middelen om te overleven, grazige weiden en drinkwaterbronnen, schaars. Zo schaars dat iedereen zich erop moet instellen te overleven ten koste van anderen. Iedereen is tezelfdertijd jager en prooi. In deze levensbedreigende omstandigheden is er maar een zekerheid, de clan. Het besef dat van het ene ogenblik op het andere van jager in prooi te kunnen veranderen moet ook de Syrische president Hafez al-Assad hebben gehad. Assad behoort tot een seculiere minderheidsgroep in zijn land. Zijn macht werd hem door de religieuze meerderheid misgund. Onder leiding van de Moslem Broederschap werd een opstand voorbereid, en in 1982 besloot Assad dat, wilde zijn regime overleven, het verzet van de Moslem Broeders met harde hand gebroken moest worden. De stad Hama, waar het verzet zich concentreerde, werd grotendeels met de grond gelijk gemaakt. Sommige schattingen van het aantal doden komen op achtendertigduizend uit. Een hardheid die niet als geisoleerd incident kan worden afgedaan. Tijdens de Irak-Iran oorlog bestonden de Koerden het hun verlangen naar onafhankelijkheid kracht bij te zetten. Door dat te doen stelden zij zich als een vijandige clan op. In 1988 werden de bewoners van het Koerdische dorp Halabja door gifgas om het leven gebracht. De Koerden hadden geprobeerd de kalkoen van Saddam Hoessein te stelen en in Hama daagden de Moslem Broeders Assad uit.

De geschiedenis van het gebied dat nu Irak heet telt vele voorbeelden van 'hardheid'. Harun al Rashid (786-809), waar Saddam Hussein zich graag mee vergelijken mag, was altijd vergezeld van zijn scherprechter. De beul was altijd binnen handbereik om hoofd en romp te scheiden van een ieder die de wrevel van de kalief opriep. De stichter van het kaliefaat der Abbassiden, de trots van de huidige Irakezen, Abdullah (750-754) had de bijnaam 'Saffah', de bloedvergieter. In geschiedenisboeken worden de Abbassiden 'a violent lot' genoemd.

Door een systeem van terreur hoedt een ieder in Irak zich ervoor zelfs maar te denken aan de kalkoen van Saddam Hussein. De gevluchte Irakese Koerd, Fuad Hussein, vertelt hoe bijna terloops mensen door politie en militairen gemarteld worden. Een van de martelmethodes waar hij van verhaalde bestaat uit het anaal inbrengen van een instrument waarmee stroomstoten gegeven kunnen worden. Deze marteling is zo bekend in de hele Arabische wereld dat zij een Syrische toneelschrijver geinspireerd heeft om een van zijn hoofdpersonen te laten zeggen: 'Electriciteit heeft mij al van achteren bereikt, maar mijn dorp nog niet.'Van verfijndere martelmethodes is sprake in het volgende incident. Op 16 juli 1979 greep Saddam Hussein, al elf jaar de tweede man binnen de regering, de macht en zette president Ahmed Hassan al-Bakr af. Eenmaal aan de macht kwam bij hem het bange vermoeden op dat niet alle mensen met wie hij al die tijd had samengewerkt blij zouden zijn met zijn carriere. Hij liet een van deze mensen arresteren, de secretaris van de Baath-partij. Deze Al-Mashadi, zo schrijft Friedman, werd net zolang gemarteld tot hij beaamde met een aantal anderen een coupe tegen Saddam Hussein beraamd te hebben.

22 Juli liet Saddam Hussein de Iraakse Baath-partij voor een bijzondere zitting bijeen komen. De aanwezigen hoorden met stijgend afgrijzen de bekentenis van hun partijsecretaris aan. Want niet alleen noemde deze de namen van vier andere Baath-leiders, hij noemde ook namen van mensen die door de samenzweerders benaderd zouden zijn. Wanneer dit gebeurde zwenkte de cameraman die deze zitting voor de tv vastlegde, naar de genoemde persoon. De camera registreerde genadeloos de doodsangst, de tranen, de trillende knieen. En de anticlimax. Want bij de aangewezene aangekomen zei al-Mashadi: 'We vroegen hem mee te doen, maar hij weigerde.'

3. De machtswisselingen

In 1922 hadden de Engelsen Irak een koningshuis gegeven; op de troon kwam een telg uit het geslacht van sjarif Hussein van Mekka, die tijdens de Eerste Wereldoorlog de Arabische opstand tegen de Turken had uitgeroepen en daarmee de Engelsen een grote dienst had bewezen. Koning Feisal heerste alleen in naam over Irak, de Britten behielden hun invloed op militaire en financiele zaken en op de buitenlandse betrekkingen.

De anti-westerse houding van de Ba'ath-beweging sloot aan bij de ressentimenten onder het volk. In de Tweede Wereldoorlog was er in Irak zelfs even een anti-Brits en pro-Duits bewind, onder leiding van Rashid Alial-Ghailani, dat echter snel door de Britten aan de kant werd geschoven. De traditie van pro-westerse vorsten en heersers in Irak werd pas in 1958 definitief van de kaart geveegd door de onstuitbare opwelling van pan-Arabische, anti-Britse en antifeodale sentimenten na de Suezcrisis.

De nieuwe Iraakse machthebber, generaal Abd al Karim al Kassem maakte eenbloedig einde aan de monarchie en probeerde het pan-Arabisme in praktijk te brengen door Koeweit te annexeren in 1961, wat door toedoen van de Britten niet lukte.

Binnen twee maanden zette Kassem zijn teamgenoot Salem Arif af. Arif steunde volgens hem teveel op de Ba'ath-partij. Kassem zocht zijn aanhang meer onder de communisten. Beide partijen streefden elk op hun eigen manier, een anti-westers en socialistisch beleid na. Het probleem waar Kassem voor stond was echter dat onder de moderne verpakking van 'communisme' en 'Ba'athisme' de eeuwenoude tegenstelling tussen shi'iten (communisten) en sunnieten (Ba'ath) gewoon bleef voortwoeden. Al snel na Kassems coup namen de twee groeperingen van zijn bewind elkaar in een wurggreep. De pogingen elkaar uit te schakelen resulteerden in massacres, waarbij nu eens communisten dan weer Ba'athisten werden afgeslacht.

Wie deze rivaliteit evenmin overleefde, was generaal Kassem. In '63 ondernamen Arif en de leider van de Ba'ath-partij Ahmed Hassan al-Bakr een geslaagde couppoging. Al-Bakr werd eerste minister en Arif president. Kassem werd door een geimproviseerde 'rechtbank' in de omroepstudio van Bagdad ter dood veroordeeld en voor de camera's geexecuteerd. De eerste daad van de Ba'ath was wraak op de communisten te nemen voor de slachtpartijen die laatstgenoemden in 1959 hadden aangericht. De regering was echter zelf verdeeld in Nasseristen onder leiding van Arif en een pro-Syrische groep onder leiding van al-Bakr. In 1966 kwam Arif om bij een helicopterongeval. In 1968 kwamen de Ba'athisten onder leiding van al-Bakr en Saddam Hussein aan de macht, en in 1979 verving Hussein de zieke al-Bakr.

Nu aller ogen zijn gericht op Saddam Hussein, lijkt hij uit te groeien tot mythische proporties, een Arabisch unicum zoals het Midden-Oosten er geen tweede heeft gekend. Tot op zekere hoogte is dat terecht, maar in veel opzichten onderscheidt zijn bewind zich niet van andere in de regio.

Saddam is wreed en rucksichtslos, maar dat waren al zijn voorgangers ook. Bovendien heeft hij dat gemeen met menig ander staatshoofd van een Derde wereldland. Saddams naaste buurman Assad liet duizenden van zijn eigen burgers vermoorden. De andere buurman, koning Hussein van Jordanie, liet in 1971 zijn bedoeinentroepen zo keihard met het Palestijns verzet afrekenen toen het hem te lastig was geworden dat de maand waarin dat gebeurde, de geschiedenis is ingegaan als Zwarte September. Het schrikbewind in Iran behoeft geen verdere toelichting. Maar ook een 'zacht' bewind als dat van koning Hassan van Marokko rekent genadeloos af met tegenstanders, zoals met de deelnemers aan de poging tot een staatsgreep in het begin van de jaren tachtig. Wie iets onaardigs over de koning zegt, loopt het risico naakt aan een verwarmingsradiator te worden geketend, die vervolgens flink wordt opgestookt.

Saddam beoefent het nepotisme op micro, -meso- en macroniveau. Hij bevoordeelt zijn eigen clan uit zijn geboorteplaats Takrit, hij heeft zijn sunnitische geloofsgenoten een voorkeurspositie gegeven en in Irak hebben de vele duizenden gastarbeiders uit onder andere Egypte, de Filippijnen en Korea net zo weinig rechten als hun lotgenoten in Libie, Koeweit en de andere Golfstaten. In dit opzicht is Saddam niet in de morele positie om de emir van Koeweit iets te verwijten.

Saddam wil de nieuwe Nasser zijn, de politieke en spirituele leider van alle Arabieren. Nassers opvolger Anwar Sadat wilde dat ook al zijn, maar hij plaatste zich buiten de Arabische wereld door een vredesverdrag met Israel te sluiten. De Libische leider Kadaffi koesterde eveneens deze aspiratie, maar door zijn grillen joeg hij de buurlanden tegen zich in het harnas. Ook Mubarak wil de nieuwe Nasser zijn, tot op heden met redelijk veel succes. Welke aspiraties de Syrische president Assad heeft, is niet tot in de details te omschrijven, maar zich klein en beleefd opstellen, hoort er niet bij.

Saddam wil meer gebied, maar er zijn weinig landen in het Midden-Oosten die geen grensconflict met een buurland hebben. Het enige waarin Saddam zich onderscheidt van zijn omgeving, is zijn bereidheid ook zonder absoluut dwingende noodzaak het gewapende conflict te zoeken. Maar dat is dan ook geen klein verschil.

4. De Ba'ath, het gelijk van de minderheid

De belangrijkste politieke macht in Irak is de Ba'ath-beweging. Metanderhalf miljoen aanhangers is de Ba'ath nu niet meer dan een repressiefapparaat, een met leuzen omhangen vehikel voor baantjesjagers. Maaroorspronkelijk was deze beweging gegrondvest op idealen. Er bestond in de Arabische wereld vanaf de ineenstorting van het Ottomaanse Rijk een behoefte om anti-westerse sentimenten en vooruitgangsideeen binnen een ideologie samen te vatten.

Het gedachtengoed van het Ba'athisme dateert van begin jaren dertig. In een poging zijn ideeen aan de man te brengen appelleerde Michel Aflak, de stichter van de Ba'ath, aan een van de kenmerkende eigenschappen van de Arabische cultuur, het belang van de familie. 'Het nationalisme waartoe wij oproepen betekent voor alles liefde. Het is hetzelfde gevoel dat het individu aan zijn familie bindt, want het vaderland is niet anders dan een groot gezin.'

Michel Aflak behoorde tot de Arabische middenklasse. Hij studeerde aan de Sorbonne en zette zich samen met andere intellectuelen in voor 'de wedergeboorte' van de Arabische wereld en tegen de feodale structuren. De Arabieren zouden zich moeten verenigen in een natuurlijk broederschap en samenwerken vanuit socialistische principes. Hun strijdkreet was: 'Eenheid, vrijheid, socialisme' - slogans die westerlingen niet onbekend in de oren klinken. Toen op 14 juli 1958 het bewind van koning Feisal II omver werden geworpen, zongen de rebellerende officieren triomfantelijk de Marseillaise.

De oprichters van het Ba'athisme - veelal christenen die enerzijds niet meer gebonden waren aan hun religieuze gemeenschap en anderszijds problemen hadden dat zij als christenen tweederangs burgers waren in een islamitische maatschappij - hebben altijd gehoopt dat hun ideologie aan zou slaan bij de massa's. Het Ba'athisme werd echter al snel volkomen overvleugeld door het nasserisme, een toevalsideologie die bedoeld was om Nasser en Egypte een nieuwe leidersrol in de Arabische wereld te geven. Nasser was een populist die in gewone taal het volk kon uitleggen waarom de Profeet in feite de eerste socialist was. Een belangrijke stelling omdat hij daarmee de islamieten aan zich kon binden. Het nasserisme was veel minder 'intellectualistisch', veel minder abstract dan de Ba'ath-ideologie, die - ondanks verwijzingen naar de familie - steunde op de Franse voorkeur voor abstractie en wollige constructies. Daardoor alleen al oefende de Ba'ath in eerste instantie slechts op een handvol intellectuelen enige aantrekkingskracht uit. Toch is in twee landen de Ba'ath-partij aan de macht gekomen; Syrie en Irak. Hoewel aan de macht gekomen misschien niet de juiste uitdrukking is; de partij is door bepaalde groepen gebruikt om aan de macht te komen en te blijven. Michel Aflak, Hafez al-Assad, Saddam Hussein, zij allen zijn Ba'athist en zij behoren niet toevallig tot minderheidsgroepen. Aflak was een christen, Assad een Alawiet, Hussein een Sunniet.

In deze landen, waar de islam een allesoverheersende rol speelde, zien we dat godsdienstige minderheden een seculiere machtsbasis zochten als schild tegen de religieuze meerderheid. Dat was uiteindelijk zonder het met zoveel woorden te zeggen doel en streven van de communisten, de Ba'athisten en andere Arabisch nationalistische groeperingen.

Door haar seculiere en intellectualistische karakter had de Ba'ath waarschijnlijk nooit een volkspartij kunnen worden. Echter, door aansluiting te zoeken bij vernieuwingsgezinde krachten binnen het leger kon de Ba'ath-beweging met behulp van militaire middelenvaste voet in de samenleving krijgen. Toen zij eenmaal door middel vangeweld aan de macht was gekomen veranderde de Ba'ath van een partij die zichberiep op universalistische waarden - weg met regionaal eigenbelang, weg met de clan-geest - uiteindelijk in een onderdrukkingsapparaat dat zich door geweld staande wilde houden. In zo'n samenleving is het per definitie het veiligst om de politiek langs tribalelijnen te continueren. Men vertrouwt alleen de leden van zijn eigen familie, clan en stam en omringt zich met hen.

Veel van de Iraakse coup-plegers die in '68 aan de macht kwamen waren afkomstig uit het dorp Takrit ten noorden van Bagdad. Een aantal, onder wie de leiders al-Bakr en Hussein was zelfs familie van elkaar. Al snel wemelde het van de topfunctionarissen met dezelfde achternaam. Saddam Hussein werd aanvankelijk met zijn volle naam vermeld; 'Saddam Hussein al-Takriti', later vaardigde hij een verbod uit om zijn herkomst nog langer openbaar te maken.

De scheiding tussen de Iraakse en Syrische Ba'ath-partijen werd overigens onherroepelijk toen de Irakezen Assad ervan beschuldigden dat hij de partij gebruikte om zijn clan en de minderheid van de Alawieten, waartoe hij behoorde, te bevoordelen.