HET VOORRECHT GEJAAGD TE WORDEN

Antropologen hebben het in het algemeen niet zo op het onderzoeken van gebruiken die het doordringende parfum van de westerse beschaving met zich mee dragen. Dit geldt zeker voor gebruiken die, zoals de jacht, geassocieerd worden met een maatschappelijke elite. Bovendien hebben veel antropologen nog steeds instinctief een hekel aan het serieus nemen van gebruiken die als 'sportieve krachtmeting' slechts een geciviliseerde en geperverteerde versie lijken van de 'authentieke' en nuttige vorm elders in de wereld. Mannen in het groen is daarom een originele studie. Het is geschreven door de antropologe Heidi Dahles, en verklaart ons nu eens niet de interessante gebruiken van jagers in het tropisch regenwoud, maar de zeker even exotische gedragingen van Nederlanders op de hazenjacht. Om dit te kunnen doen heeft ze jarenlang (van 1983 tot 1988) meegelopen met jagers en meegedaan aan de jacht om door observatie en interviews een beeld te krijgen van de jagers-(sub)cultuur in Nederland. Juist in hetgeval van de Nederlandse jager kan deze manier van onderzoek zeer effectiefzijn.

Zoals Dahles beschrijft, vormen jagers in Nederland een min of meer besloten groep van mannen (en een enkele keer een vrouw) met voor de buitenstaander moeilijk te doorgronden gedragingen en opvattingen. De jacht speelt zich af buiten het directe gezichtsveld van de doorsnee flatbewoner en vertoont door het speciale taalgebruik, de kledij en de rituele handelingen er omheen allerlei kenmerken van een geheim (bond)genootschap. Alleen door zelf deel te nemen aan de jacht en zo, net als de jagers zelf, de kleur van haar omgeving aan te nemen, kon Dahles op vertrouwde voet raken met een gezelschap dat de laatste jaren door de houding van de buitenwereld en actiegroepen allergisch is geworden voor kritische vragen.

GANZENOORLOGDahles begint haar schets van de Nederlandse jachtzeden en gebruiken dan ook met de controverse waarin de 'jacht voor het genoegen' in ons land verzeild is geraakt. Deze controverse is vooral bekend geworden door de zogenaamde 'ganzenoorlog' die vanaf begin jaren tachtig tussen jagers en actievoerders van Kritisch Faunabeheer werd uitgevochten. Acties van Kritisch Faunabeheer in Overijssel en Gelderland leidden in 1983 tot een schermutseling waarbij een journalist een klap opliep van een gefrustreerde jager. In de dagbladen werd gesproken over 'massale vechtpartijen' en de moorddadige praktijken van de ganzenjagers.

Dat juist de ganzenjacht de inzet vormde voor het meest in de publiciteit gekomen conflict tussen jagers en actievoerders, is volgens Dahles niet toevallig. Hieraan heeft vooral de popularisering van biologisch onderzoek naar de leefwijze van deze vogels bijgedragen. Meer dan andere vogels gedragen ganzen zich volgens erkende burgerlijke waarden. Ganzen zijn monogaam en trouw en worden regelmatig beschreven als 'ganzenfamilies' levend in 'gezinsverband'. Ze zijn daarmee een voor de hand liggende metafoor van de burgerlijke samenleving, een metafoor die de jacht impliciet veroordeelt als een vorm van broedermoord. Dahles noemt de stedelijk-burgerlijke cultuur dan ook als de voornaamste bron van de sterke weerstand tegen de jacht. Dierenliefde is niet zozeer een natuurlijke houding van de beschaafde mens tegenover het kwetsbare dier, als wel een in de achttiende en negentiende eeuw ontstane culturele strategie van de stedelijke burgerij tegenover de landelijke (adelijke en grondbezittende) elite. Tegenover deze sentimentele projectie van burgerlijke idealen op de dierenwereld staan de jagers die het wild juist zien als tegenstrevers die zij in een 'gelijkwaardige' strijd op speelse wijze in hun macht willen krijgen. Zowel de voor- als de tegenstanders van de jacht kunnen hun argumenten niet baseren op inherente, 'natuurlijke' eigenschappen van mens of dier en hun onderlinge relatie. De jacht is een doel op zich en niet in utilitaire termen te begrijpen. Jagen is een vorm van expressie, een spel waarin het wild gebruikt wordt voor het uitdrukken van culturele status en identiteit. Dahles' opvatting is wat dit betreft typisch antropologisch. In haar visie kunnen de argumenten van voor- noch tegenstanders van de jacht aanspraak maken op enige morele superioriteit boven de ander. De consequentie hiervan is dat ook de anti-jachtbeweging de dierenwereld infeite 'gebruikt' als een vorm van culturele expressie. Maar dit is eenconclusie waaraan Dahles zich kennelijk liever niet waagt.

Ze concentreert zich voor het grootste deel van haar boek op de jacht zelf en vooral op de verschuivingen die zich de laatste decennia hebben voorgedaan in de legitimering van deze vrijetijdsbesteding door de jagers. De maatschappelijke exclusiviteit van de jacht, vroeger als vanzelf geassocieerd met adel, grootgrondbezit en 'the happy few', is geleidelijk afgenomen. De sociale herkomst van de Nederlandse jagers is veel diverser dan vroeger en eigen grondbezit is niet meer een doorslaggevende factor in de Nederlandse jachtcultuur. Geld, meer dan grond, is bepalend voor de mogelijkheid om deel te nemen aan de jacht. De invloed van de stedelijke cultuur doet zich overigens ook hier gelden. Niet alleen heeft de weerstand tegen de jacht een stedelijke voedingsbodem, ook de nieuwe generaties jagers zijn zelf voor een belangrijk deel uit deze stedelijke omgeving afkomstig. Deze verstedelijking van de jacht heeft de wijze waarop de jagers hun activiteiten naar buiten toe legitimeren, sterk beinvloed. Geleidelijk aan is het accent verschoven van de 'sportieve' jacht naar dat van de 'weidelijke' jacht. De jacht als sport, met zijn noties van vrijblijvenheid, fair play, elite-cultuur en exclusieve jachtpartijen, is door de activiteiten van de anti-jachtbeweging en deverstedelijking van het jagersgilde een steeds minder acceptabeluitgangspunt geworden. RENTMEESTERSCHAPDaarvoor in de plaats is de weidelijke jacht gekomen als een vorm van goed rentmeesterschap, als een bijzondere, maar verantwoorde wijze van natuurbeheer. In deze laatste vorm is de jacht ook acceptabeler als gesprekspartner voor de overheid, die in de laatste decennia meer en strengere eisen is gaan stellen aan jagers en jachtmethoden. Het lijkt overigens twijfelachtig of het verschil tussen een gratuite, sportieve dood en een moreel onderbouwde dood voor het aangeschoten wild erg veel uitmaakt. Maar hetzelfde geldt natuurlijk ook voor het verschil tussen een 'natuurlijke' dood in de klauwen van een havik en een 'kunstmatige' uit de loop van een geweer.

Zoals dat vaker bij antropologen het geval is, gaat Dahles vrijwel geen onderwerp uit de weg in haar beschrijving van de jacht in Nederland. Ze staat uitvoerig stil bij de verschillende strategieen die gebruikt worden en weet haar verhaal te verluchten met een overvloed aan voorbeelden van de speciale jagersterminologie. Voor de argeloze buitenstaander lijkt dit woordgebruik verdacht veel op de alles verhullende duidelijkheid van de hedendaagse voetbalcoach. Jagers 'peuteren', 'bersen', 'delven', 'houden kort', en 'ontweiden', zonder dat de dood daar schijnbaar aan te pas komt. Hoogtepunten in dit eufemistische vocabulaire zijn de termen 'ziek' voor stervend wild en 'zweet' voor bloed. Ze roepen de prettige suggestie op van onvermijdelijke, natuurlijke processen, waarvan de jager slechts de onschuldige toeschouwer is.

Alhoewel dit boek door de uitgebreide beschrijving van de jachtpraktijk in Nederland mijn aangeboren nieuwsgierigheid naar dergelijke bijzondere hobby's aardig bevredigt, blijft er toch een vaag gevoel van onvrede hangen. Ons wordt een dieper inzicht beloofd in de achtergronden en motieven van de jacht in Nederland. Wat het boek echter mist om deze belofte helemaal waar te maken, zijn de spannende inkijkjes in de dagelijkse leefomgeving en de psyche van de Nederlandse jager. De uitspraken van de individuele jagers die door Dahles hierover zijn opgetekend, zijn verhelderend in hun directheid, maar zelden onthullend. Dahles' jagers zijn voornamelijk dodelijk serieuze heren, die zich geroepen weten tot het behoud van tradities en die zich bewust zijn van hun taak in het beheer van de schepping. De passie van de jacht waarover ze voortdurend spreekt, is van het onderkoelde soort. De Nederlandse jager is kennelijk geen macho en wordt in het geheel niet gedreven door een 'primitief mannelijk oer-instinct'.

Dit is ongetwijfeld ook het beeld dat de Mannen in het Groen gezien de kritische houding van de samenleving graag van zichzelf willen geven. Het lijkt mij echter waarschijnlijker dat Dahles wat dat betreft de schuldige geheimen van de borreltafel minder goed heeft doorgrond dan die van de eigenlijke jacht.

FOTO FREDDY RIKKEN