Extra olieproduktie geen duivelse klus

Een deel van de taktiek en strategie in het Midden-Oosten wordt bepaald door fysisch-chemische wetten en technische beperkingen. Met een Hema-zakjapanner en wat cijfermateriaal is vanuit de huiskamer al aardig aan de partij Stratego mee te doen. (Opdracht: Jordanie verbruikt per dag 60.000 vaten olie van 159 liter. Is dat met tankwagens over de weg uit Irak aan te voeren?)De redactie techniek sprak voor een onderzoek naar de grenzen van het spel met prof. ir. J. J. van der Vuurst de Vries van de faculteit mijnbouwkunde en petroleumwinning van de TU Delft en met twee deskundigen van een grote oliemaatschappij.

Graag begint men bij het begin. Dus eerst dit: aardolie is niet, zoals wel wordt gedacht, een laatste restant van dinosaurussen die in de oersoep verdronken en tussen vermicelli in koolwaterstoffen uiteenvielen, maar een overblijfsel van plantaardig en dierlijk plankton dat zich in de loop van miljoenen jaren op de zeebodem kon ophopen. Voor het zoologisch leed maakt dat natuurlijk weinig uit.

Ook bevindt aardolie in situ zich niet in een of andere holle ruimte waar het is uit te pompen zoals de brandweer een ondergelopen kelder leeghaalt. Aardolie is, zegt Van der Vuurst de Vries terwijl hij naar de bakstenen muren van zijn werkkamer gebaart, meestal opgezogen in een poreuze en permeabele steensoort als een zand- of kalksteen die zelf weer zit ingeklemd tussen twee meer of minder olie-ondoordringbare lagen.

In het Golf-gebied wordt de olie op zo'n tweeduizend meter diepte aangetroffen, met veel lokale variatie. De olie staat er onder hoge druk, zo hoog dat het goedje meestal spontaan omhoog komt als het wordt aangeboord. Het hangt van de reservoir-structuur en het reservoir management af hoe lang dat doorgaat. Meestal drijft olie op water en als steeds voldoende water kan toestromen kan de druk lang hoog blijven. Ook gas boven de olie kan de reservoirdruk lang hoog houden.

Zodra aan de spontane opwelling een einde komt moeten andere middelen in stelling worden gebracht. Een beproefde methode is gas te blazen in de hoge kolom olie die vanaf de onderkant van de winningsbuis (de 'putbodem') naar de oppervlakte voert. De heersende druk kan de olie dan makkelijker naar boven stuwen. Is de olie erg visceus (dik stroperig) zoals in Schoonebeek dan moeten mechanische pompen worden ingezet.

Er is een hele reeks van andere technieken om de produktie van afzonderlijke putten op te voeren. Deze 'putstimulatie' waarbij vaak chemicalien worden ingezet of met geweld kunstmatige scheuren worden gevormd is nogal kostbaar.

Altijd zal maar een deel, gemiddeld zo'n 25 tot hooguit 60 procent, van alle olie die in een reservoir aanwezig is (de 'oil in place') ook werkelijk winbaar blijken. Dat is de 'bewezen reserve' waarvan de omvang dus niet alleen wordt bepaald door de grootte van het reservoir maar ook door zijn structuur en de beschikbare winningstechnieken. 'Leken tonen daar doorgaans weinig begrip voor', zeggen de deskundigen. Toen in 1987 de bewezen reserve van het Midden-Oosten (Iran, Irak en Abu Dhabi) plotseling werd bijgesteld was dat niet in de eerste plaats omdat er meer olie was gevonden, maar vooral omdat de aangetroffen olie nader beschouwd beter winbaar bleek. Dat is te zeggen: economisch winbaar. Als de barrelprijs stijgt wordt steeds meer olie economisch winbaar en verandert in principe de omvang van de 'bewezen reserve'. Wordt olie erg duur dan kunnen de zogeheten Enhanced Oil Recovery (EOR) technieken worden ingezet om de laatste onwillige olie alsnog uit de porien te jagen. Door verhitting is de viscositeit van de olie te verlagen, chemicalien kunnen de oppervlaktespanning veranderen.

In eerste instantie is een goed reservoir management de aangewezen weg om een hoge 'recovery factor' te halen. Het betekent: niet teveel putten op een veld plaatsen en de produktie per put beperken. In de praktijk worden oliemaatschappijen nogal eens onder druk gezet om de produktiviteit te maximaliseren. Een soort roofbouw die de structuur van de reservoirs bedreigt. (Een van de risico's is dat een put waaraan te hard wordt 'getrokken' het onderstaande water naar zich toe zuigt. Op den duur leidt de optredende 'fingering' tot waterdoorbraak en verlies van de put.) Bij de nu gangbare produktiemethoden en reservoir management blijft een olieveld gewoonlijk een jaar of 25 in produktie. Velden die tijdelijk worden afgesloten kunnen zich overigens redelijk herstellen. Het is erg lastig om cijfers te geven voor het maximale produktievermogen van een land. Saoedie-Arabie was enige jaren geleden in staat ongeveer 10 miljoen vaten ruwe olie per dag (mbd) te produceren. De produktie liep, onder OPEC-dwang, terug tot 5,3 mbd. Nu heet het dat de staat op 53 procent van zijn maximale vermogen produceert, wat suggereert dat het land moeiteloos 4,7 mbd extra kan produceren. Dat is niet zo. Inmiddels is de structuur van veel reservoirs veranderd en zullen veel oppervlakte-installaties zijn verwijderd of door achterstallig onderhoud onbruikbaar zijn geworden. Volgens recente opgaven van het Internationale Energie Agentschap kan het hele Golfgebied (zonder Irak en Koeweit) hooguit 3 a 4 mbd extra produceren. Het verlies van Irak en Koeweit is daarmee niet helemaal aan te vullen.

Opgaven voor het maximale produktievermogen van een staat hebben dus altijd maar een beperkte geldigheid. De CIA, die dit soort strategische getallen verzamelt, geeft schattingen voor de vermogens die landen minstens drie maanden en minstens een jaar kunnen handhaven. Saoedie-Arabie werd begin maart op 7 mbd getaxeerd.

Een en ander neemt niet weg dat de olieproduktie van veel staten erg snel weer is op te voeren. Vaak is het letterlijk gewoon een kwestie van de kranen weer verder opendraaien. Het aanslaan van een nieuwe put hoeft, zegt Van der Vuurst de Vries, in het gunstigste geval maar een week of drie te duren.

Het opvoeren van de mondiale olie-produktie is, zeggen de geraadpleegde experts eensgezind, ook lang zo'n duivelse klus niet als secretaris-generaal Soebroto van de OPEC het dit voorjaar tijdens een symposium in Alaska deed voorkomen. Soebroto ontwierp, met wat recht-toe-recht-aan gereken, een rampenscenario dat er opneer komt dat de OPEC-landen, die toch al veel schulden hebben, de kostenvan de broodnodige extra-produktie voor de komende vijf a tien jaar (6 mbd)niet zouden kunnen opbrengen. Soebroto nam aan dat voor elke mbd additionelecapaciteit een investering van 10 miljard dollar nodig is. Dat bedrag is, zeggen de experts, zeker een factor 10, misschien wel 20 te hoog. Weg ramp.

Goedbeschouwd zijn de surface facilities van de doorsnee produktieputten, die de laatste weken veelvuldig in beeld kwamen, nogal low-tech. Ze zijn gevoelig voor militair geweld maar ook weer snel te herstellen. Doorgaans worden meerdere putten tot een centraal station verenigd. Daar wordt de olie ontdaan van het gas (voornamelijk methaan) dat er, na het wegvallen van de druk, meestal spontaan uit opborrelt. Gewoonlijk wordt dat gas nog afgefakkeld.

Daarnaast getroost men zich veel moeite om de ruwe olie van het begeleidende water te ontdoen. Het watergehalte van olie is soms aanzienlijk en kan oplopen tot wel 90 procent (in de VS). Vaak zijn bezinktanks voldoende om een behoorlijke scheiding olie-water te krijgen, komt het mengsel als emulsie naar boven dan zijn soms hulp-chemicaliennodig.

Elke 'put' bevat een veiligheidsklep onder het maaiveld die voorkomt dat het reservoir als de tegendruk zou wegvallen, spontaan leegloopt. Alleen off-shore installaties, overigens zeldzaam in het Golf-gebied (Iran en Qatar hebben enige offshore-winning), zijn erg kwetsbaar. Ook in de zeer sabotagegevoelige olieleidingen, die meestal boven de grond lopen, zijn veel veiligheidskleppen gemonteerd. Ook daar zijn dus de risico's beperkt en is herstel geen groot probleem, hetzelfde geldt voor de pompstations die om de honderd kilometer in de lijn zijn opgenomen. Leidingen die langere tijd buiten gebruik zijn, zoals de pijp van Irak naar Syrie die in 1982 werd afgesloten, worden het slachtoffer van corrosie. Na een jaar of tien kun je die wel opgeven, denken de oliemannen.

Dat er uberhaupt olie door een pijp stroomt is te horen, omdat meestal veel gas en lucht meegaat. Het wachten is op de journalist die zijn oor legt tegen de twee pijpen die van Irak naar Jordanie voeren. Dan weten we zeker of de olie uitsluitend per truck naar Amman gaat.