De doordringende lucht van ingemaakte kropsla

Na lezing van het boek Platland. Roman in vele afmetingen, geschreven door een Vierkant (1888), zoek ik naar de geometrie in het Nederlandse landschap. Hoe ordelijk de roep van Nederland in het buitenland ook moge zijn, voor een reiziger als ik wordt er veel te veel geslingerd en gekronkeld, alsof de vaderlandse planologen al eeuwenlang angstig aan de werkelijkheid der mallen en pasvormen proberen te ontkomen. Zo heb ik op een zomerse zondag met veel ergernis de Kromme Rijn bevaren. Toen iemand aan boord beweerde dat ik dat met een verkeerde bril op deed, lachte ik bitter genoeg om dat weinig later te betreuren. Wij passeerden op dat moment het achttiende-eeuwse landgoed Amelisweerd: een derde opvarende wees in dit verband op een fraaie driehoek op de kaart.

Enkele weken later liet ik me rondleiden door het lege huis. 'Veel figuren zijn hier mogelijk, 'zei directeur Els Hoek van de nieuwe Stichting Oud-Amelisweerd, 'maar dat komt nog. We laten de kamers inkleuren door beeldend kunstenaars en schrijvers. U bent ook welkom, maar wel binnen de lijntjes en met handhaving van het meesterlijk behang.' Ik keek naar de Kromme Rijn voor het huis, dacht aan vorm en inhoud van mijn volgende boek en vroeg naar bevloeiing en buitenwerk: 'Is er regelmatig getuinierd op Oud-Amelisweerd?'

'Volgens de papieren was dat doorgaans een rommeltje, meer dan een handjevol vermeldingen van tuinen met muren is er eigenlijk niet van over. Ja, en dat ene spookverhaal. Over wandelen in duisternis met klossende klompen, sacherijnig mompelen over achterstallige betaling van grondwerk en geur van ingemaakte kropsla. Nogal een mal verzinsel als je het mij vraagt, dat in deze kast zou moeten huizen.' Ze trok een brede deur in de marmeren gang open. In de grote kast zag ik op een krukje een dun boekje liggen: Amelisweerd en Rhijnauwen, een deeltje uit de 'Historische Reeks Utrecht'. 'Heb ik hier neergelegd, 'zegt ze. 'Ik wil er verder niets mee te maken hebben. Feit en fictie vechten het zelf maar uit.' In dat laatste vond ik een aansporing me aan te melden, en na drie weken kreeg ik een kamer toegewezen, behangen met ordeloos geconterfeite, Hollandse landschappen. Als ik naar buiten kijk zie ik de rivier die zich om het landgoed buigt en de kaarsrechte oprijlaan: genoeg spraak en tegenspraak om bij te schrijven. Ik wandel dagelijks de driehoek rond, beklim de heuvel in 'Het Engelse Werk' en vervloek de nalatenschap van de Brit die ook hier het subtiele lijnenspel van de Franse tuinarchitect Lenotre zo ernstig deed verwoekeren. Omdat hij zo nodig dicht bij de natuur wilde staan, deze 'Capability Brown', een man van veel te veel mogelijkheden als je het mij vraagt. 'De natuurlijke lijn' werd gretig door hem in boom en struik geschilderd. Het behang in mijn kamer had van zijn hand kunnen zijn.

Na zeven dagen besloot ik op Oud-Amelisweerd te overnachten. Ik had alle kamers aan een grondig onderzoek onderworpen en was aan de grote gangkast toe. Ik legde een matras op de vloer en zette een digitale wekkerklok naast het deel uit de 'Historische Reeks Utrecht' op het krukje. Het was klokslag twaalf, toen geheel volgens overlevering een doordringende lucht van ingemaakte kropsla de ruimte vulde. Ik hoorde klompen op marmer klossen en de bittere kijkjes in een hoveniersportemonnee ontbraken niet. Daar ging de deur open, piepend, zoals de loop van de geschiedenis gebiedt. Ik zag niets, maar hoorde en rook des te meer. 'Fraaie plantages, Zwitserse bruggetjes, een trapeziumbos in een driehoekig landschap, dat is een oppervlakkig beginnetje.' Een stem, rasperiger dan ik ooit had gehoord. Er werd iemand voorgesteld die Kees Maas heette, een persoonlijkheid die zich waardeerde in een inventaris van zijn tuin: 'Honderddertig tafelperen, een halve zak appelen, druiven, driehonderd noten, honderdvijftig kweeperen, acht artisjokken, twintig bloemkolen en dat is nog lang niet alles.'

'Het gaat toch ook om een eerste indruk?' zei ik. 'Juist, 'zei Maas, 'maar ik moet opschieten. Ik kom om in de tijd... .' Ik besloot niet om zijn nabestaan heen te draaien: 'U geniet een ontevreden pensioen?' 'Eerst tien maanden niet betalen, dan de bosploeg in mijn tuin: noem dat maar eens eervol uittreden, 'zei Maas. 'Ik ben van honger gestorven. Het was een slechte tijd.'

'Maar waarom?' vroeg ik. 'Lustte uw tuinheer de kweeen niet?' Maas snoof: 'In dat verdomde boekje op het krukje hier staat iets over 'kostbaar vervoer' van groenten naar de winterresidentie van meneer, waar hij trouwens altijd woonde. Maar ik hou al honderdtachtig jaar vol dat het een kwestie van vormelijkheid en principe was. Bij zijn eerste bezoek heb ik hem een gedetailleerd plan voorgelegd voor een tuin die het geheim van groei en bestaan omvat. Sla en prei aan de randen, bloemkool in het midden, begrijpt u?' Ik knikte tegen beter weten in. 'Meneer begreep er ik ieder geval niets van. Hij mompelde wat over labyrinthen waarvan hij vaag had gehoord, maar die waren toch al jaren uit de mode: wilde ik dat? Ik zei dat bloemkool de wereld weerspiegelt. Dat was toen mijn theorie. Ons geheim, zei ik tegen mijn tuinheer, ligt in de vorm van het landschap.

Bestudeert u de natuurlijke lijn van het landgoed en u vindt een driehoek. Vermenigvuldig die driehoek en u komt via de Davidsster tot sneeuwvlok en bloemkool. Als u tenminste lang genoeg bestaat. De bloemkool waardeert uw landgoed op tot centrum van de wereld, ga ik te snel? Groente is niet zomaar iets! Zei ik. Ik ging te snel. 'Ons geheim' was bovendien te familiair, meneer was van het type dat neerkijkt op het fluisteren met knechten. Het was meteen uit met kweek en planten, wat dacht ik wel? Dat hij zijn eigen landgoed in een zoekplaatje wilde verliezen? Ontslaan liet ik me echter niet zomaar. Wie de grond bewerkt heeft ook zijn rechten. Maar hij betaalde me niet meer en in de barre winter van 1810 heeft me dat genekt.' Ik had nog een vraag: 'En die ingemaakte kropsla?' 'Een randverschijnsel voor kleur en geur, denkt u daar verder niet over na.' Daarop verdween tuinman Maas. Ik hoorde de klompen op het marmer langs de draad van zijn verhaal wegsterven.

Die nacht sliep ik slecht, maar ik had er een nieuw hoofdstuk bij. Voorlopig ben ik nog even op het platteland te vinden.

Atte Jongstra debuteerde in september 1989 met de verhalenbundel De Psychologie van de Zwavel.