Cocaine alleen maar duurder door strijd tegen de kartels

ROTTERDAM, 18 aug. - Senator Luis Carlos Galan Sarmiento stierf in een regen van kogels, afgevuurd door moordenaars die zich hadden schuilgehouden achter enkele van de vele verkiezingsplakkaten die de campagnebijeenkomst van de Liberale presidentskandidaat opluisterden. Met de moord werd de vrijwel zekere winnaar van de verkiezingen geelimineerd: tien maanden later won zijn campagnemanager en geestverwant Cesar Gavira Trujillo, de huidige president van Colombia.

Precies een jaar na de moord op 18 augustus 1989 weerklinkt de echo van de schoten die Galan het leven kostten nog luid in Colombia. Op de aanslag tegen de senator volgden nog tientallen moorden, bomexplosies en andere terreurdaden. Tegen nog twee presidentskandidaten, tegen andere politici, rechters, politie-agenten, journalisten, hotelgasten, luchtreizigers, winkelend publiek - in feite tegen de Colombiaanse samenleving zelf.

De moord op Galan luidde een tijdperk in dat, onder verwijzing naar een eerdere bloedige periode uit de Colombiaanse geschiedenis, de tweede 'Violencia' zou kunnen worden genoemd. Daags na de aanslag op 18 augustus verklaarde de toenmalige regering van president Virgilio Barco de oorlog aan degenen die alom verantwoordelijk worden gehouden voor de moord op Galan en de daarop volgende golf van terreur: de drugsmafia in Colombia, of exacter, het cocainekartel van Medellin onder leiding van Pablo Escobar.

De regering-Barco sloeg in eerste instantie hard terug. In een grootscheepse gecombineerde actie van de nationale politie, de veiligheidsdienst DAS en de strijdkrachten werden tientallen huizen van vermeende drugshandelaren in beslag genomen, evenals honderden voer-, vaar- en vliegtuigen, bankrekeningen, wapenarsenalen, geavanceerde communicatie-apparatuur en uiteraard cocainelaboratoria compleet met eindprodukt. De aanvallen leverden de bevestiging op van het beeld dat vele Colombianen al hadden van de drugsbaronnen in het land: puissant rijke eigenaren van uitgestrekte haciendas en fincas (landgoederen en boerderijen) met uit zwart Italiaans marmer opgetrokken badkamers voorzien van gouden kranen, eigen communicatiecentra en zelfs dierentuinen. Het leidde tot de ontdekking van complete scholen voor huurmoordenaars van de drugskartels; sicarios zoals ze in Colombia worden genoemd.

Het waren deze sicarios die het antwoord namens de drugsbaronnen gaven op de oorlogsverklaring van de regering-Barco. In de weken die volgden op de 18de augustus namen zij tientallen sluipmoorden en bomaanslagen voor hun rekening. Vooral de autobom bleek een geliefd moordwapen van de sicarios. Er werd er een naarbinnengereden bij het Liberale dagblad El Espectador en zelfs een bij het gebouw van de geheime dienst DAS in Bogota. Een andere bom werd aan boord gebracht van een Avianca-vliegtuig, dat kort na de start voor een binnenlandse vlucht ontplofte met ruim honderd doden als gevolg.

Colombia leverde in die tijd - half augustus tot eind december vorig jaar - voortdurend spectaculair nieuws op dat in al zijn gruwelijkheid gretig op de voorpagina's en televisiejournaals over de hele wereld kwam. De Verenigde Staten - de belangrijkste afnemer van de Colombiaanse cocaine - zagen in de door Barco c.s. verklaarde oorlog een goede gelegenheid om de drugsmafia een zware klap toe te brengen. Als eerste verklaarde de Amerikaanse president Bush zich solidair met zijn collega Barco en hij autoriseerde de zending van militaire hulpgoederen alsmede financiele assistentie voor de door drugsbaronnen belegerde staat. De Europese landen volgden aarzelend en meer met woorden dan met daden. Pas tien maanden na het begin van de 'oorlog' kwam de Europese Gemeenschap met een beperkt hulppakket van maatregelen ter ondersteuning van de legale Colombiaanse economie.

De sceptische Colombianen leken gelijk te krijgen. In zijn strijd tegen de drugskartels (naast dat van Medellin ook het tot nu toe vrijwel buiten schot gebleven kartel van Cali) stond Colombia vrijwel alleen. De slag werd bovendien uitsluitend op Colombiaans grondgebied geleverd, de doden vielen onder de Colombianen: behalve verklaarde tegenstanders van de drugsbaronnen zoals senator Galan en de niet-corrupte agenten, ook toevallige passanten. Moeders met kinderwagens in een winkelcentrum waar een bom ontplofte, forensen in alle vroegte op weg naar hun werk langs een route waarop zich net een autobom bevond, nietsvermoedende passagiers op de luchthaven.

De relatief hoge tol die de Colombiaanse bevolking moest betalen, vertaalde zich in onverschilligheid ten opzichte van de jihad die Barco namens zijn landgenoten had afgekondigd tegen de drugskartels. De president leek bovendien voornamelijk Amerikaanse en Europese belangen te dienen met de bestrijding van de cocaineproduktie. Tegen de Colombianen zelf hadden en hebben de drugsbaronnen geen grieven en doorgaans omgekeerd evenmin. Integendeel, zo werd geredeneerd, de drugsdollars zorgen voor een aardige bijdrage aan de economie van Colombia, een van de weinige Latijns-Amerikaanse landen zonder een diepgaande economische crisis. En werd Pablo Escobar in de arme wijken van Medellin niet beschouwd als een soort maecenas, die de sociale projecten financierde waar de overheid dat naliet? De drugsbaronnen speelden gretig in op dit sentiment. Bij herhaling boden zij een eenzijdige wapenstilstand aan en maakten zij duidelijk met het terroristische geweld te zullen stoppen indien de regering aan de onderhandelingstafel wilde gaan zitten. De belangrijkste eis van de drugsmafia was het stopzetten van de uitlevering van Colombiaanse verdachten van drugsmisdrijven aan de Verenigde Staten voor berechting. De uitleveringen - sinds het begin van de 'drugsoorlog' zo'n dertig - blijken het machtigste wapen van de Colombiaanse regering tegen de drugshandelaren. Niets vrezen zij zo als het onvermijdelijke zware vonnis van de Amerikaanse rechter, die in tegenstelling tot zijn Colombiaanse collega buiten het bereik van kogels en bommen blijft. 'Liever in een Colombiaans graf dan in een Amerikaanse cel', luidt het credo van de drugsbaronnen, die hun gewapende arm de nom de guerre 'Los Extraditables' (de uitleverbaren) gaf.

De balans van een jaar oorlog van de Colombiaanse staat tegen de drugsmafia leidt tot trieste statistieken en op de keper beschouwd een gering resultaat. Ondanks de gewelddadige dood van de nummer twee van het Medellin-kartel, Jose 'de Mexicaan' Rodriguez Gacha, december vorig jaar in een hinderlaag van de politie, en vorige week nog die van neef Gustavo, chef-operatien van het kartel, is Colombia's 'publieke vijand nummer een', Pablo Escobar Gaviria, nog immer op vrije voeten. De adem in zijn nek van de hem achtervolgende justitie blijkt telkens minder heet dan de autoriteiten corrupt. Dampende koffiepotten en smeulende sigarettenpeuken wijzen er bij elke ontdekte schuilplaats van Escobar op, dat hij nog steeds op tijd de juiste telefoontjes krijgt. Overigens is er volgens functionarissen van de Amerikaanse ambassade in Bogota nog geen enkele aanklacht wegens drugshandel tegen Escobar ingediend in Colombia.

Virgilio Barco is inmiddels president-af en vertrekt als ambassadeur naar Londen. Zijn opvolger, Cesar Gaviria, heeft beloofd de strijd tegen het 'narco-terrorisme' onverminderd te zullen voortzetten, maar is in zijn uitlatingen over de narco-handel wankelmoediger. Die handel lijkt nauwelijks aangeslagen en volhardt in zijn verbazingwekkende ambitie om te worden gerespecteerd in Colombia. De drugsmafia handhaaft daarom al enkele weken een - overigens weinig consequent - staakt-het-vuren in de hoop op een dialoog met de kersverse president, die immers ook al een ex-guerrillero in zijn kabinet heeft opgenomen. In het land van Gabriel Garcia Marquez is uiteindelijk alles mogelijk.

Ten slotte een beursbericht. Een kilo cocaine kost 'in de groothandel' in Miami momenteel 35.000 dollar. Vlak voor het begin van de drugsoorlog bedroeg de prijs 10.000 dollar. Cocaine en olie gedragen zich in tijden van crisis volgens dezelfde marktprincipes.