China's enige kinderen: keizertjes en zonnetjes

Kinderen vormen ongeveer de helft van de wereldbevolking. Maar in de dagelijkse berichtgeving komt het lot van kinderen weinig aan bod. Deze zomermaanden publiceert NRC Handelsblad een reeks artikelen over de jeugd, geschreven door onze correspondenten. In deze zesde aflevering aandacht voor China, waar in de een-kind gezinnen de enige nakomeling zich soms ontpopt tot een tirannetje.

PEKING, 18 aug. - 'Een plus twee plus vier' is niet een door de Duitse vereniging geinspireerde variant voor de Chinese hereniging met Taiwan, het is sinds het begin van de jaren tachtig de naam van het dominerende model voor het Chinese stadsgezin: een kind, twee ouders en vier grootouders. Het '1-2-4-systeem' heeft een nieuwe mens geproduceerd. Niet de 'socialistische nieuwe mens' van Mao Zedong maar het tegendeel: een generatie van kleine keizertjes of zonnetjes, kinderen die zich het middelpunt van het heelal wanen, die hun (groot)-ouders en onderwijzers manipuleren, die alle speelgoed en lekkernijen die ze verlangen krijgen, die als zij niezen meteen vol pillen worden gestopt, zich niet kunnen aankleden en vaak op achtjarige leeftijd nog bij het eten moeten worden geholpen. Negentig procent van de stadskinderen onder de tien zijn enige kinderen. 'Enige kinderen zijn moeilijk te hanteren. Het meest extreme geval op mijn school was een knaapje dat absoluut onmogelijk was. Hij heet Yao Ming en is nu vier jaar. Hij terroriseerde iedereen die hem in de weg liep. Toen zijn kleuterleidster hem flink de les had gelezen kwam hij, drie jaar oud, op het schoolkantoor een klacht indienen dat zij hem had geslagen', zegt Wu Xiaoling (60), onlangs gepensioneerd als hoofd van de kleuterschool van een centraal partij-orgaan. 'Aangezien slaan op onze scholen verboden is op straffe van boete en openbare schande van onderwijskrachten, gingen we het onderzoeken. We vonden uit dat hij nooit geslagen was en dat we met een echt tirannetje te doen hadden dat door zijn ouders, uit vrees voor zijn driftbuien, manisch werd beschermd. Als hij huilde om iets af te dwingen stonden zijn ouders en grootouders meteen met pakken papieren zakdoekjes om hem heen en kreeg hij zijn zin.'

Wu is zelf grootmoeder en woont onder een dak met haar man, dochter, schoonzoon en enig kleinkind Doudou (Boontje). Ongeveer een vijfde van de gezinnen in Peking woont vanwege de woningnood nog met drie generaties bij elkaar. Opa Wu is partijfunctionaris en woont op het enorme ommuurde, door militairen bewaakte complex van zijn werkeenheid. Schoonzoon Cai is journalist bij een cultureel blad, een eenheid die zo laag in aanzien staat dat zij nauwelijks woningen krijgt toegewezen. Na een telefoontje van een vriend aan de veiligheidsdienst van de eenheid mag ik het complex binnen om de familie te bezoeken. Boontje (6) speelt op de binnenplaats met kinderen van collega-partijbonzen. Binnen in het flatje zitten de vier volwassenen mij op te wachten. 'Multi-generationeel samenwonen heeft voordelen, zoals huur en eetkosten uitsparen, je hebt altijd oppas en zo, maar we zouden toch liever op onszelf zijn', zegt de dochter, die bibliotheek-assistente op een universiteit is. Oma beaamt dat, maar verzekert dat als haar dochter een huis krijgt ze haar zo vaak mogelijk zal bezoeken om te helpen. Boontje komt naar boven en vraagt om een ijsje. Zijn vader zegt dat hij er al twee heeft gehad. Zijn moeder aarzelt en voordat zij zijn uitgepraat heeft oma de ijslolly al uit de koelkast gehaald. Iedereen glimlacht vragend in het rond. Oma vindt dat zij gelijk heeft. 'Wij hadden vroeger niks en nu is het er, waarom zouden we ze het dan niet geven?'.

Opa bromt dat het zo altijd gaat. Hij zou zijn kleinzoon af en toe wel een pak rammel willen geven, maar kan dat niet over zijn hart verkrijgen. 'Ik geef hem er wel eens symbolisch van langs. Ik roffel dan met zijn pingpong bat op zijn stoel en dan schreeuwt hij al dat hij wil verhuizen.'

Opa heeft zijn schoonzoon eens vermaand omdat die zijn kleinzoon een tik had gegeven. Schoonzoon Cai had gezegd: 'U bent slechts zijn ye-ye (grootvader van moederszijde). Alleen gong-gong (grootvader van vaderszijde) heeft het recht om zo te spreken.' En daarmee waren de scheidslijnen van het 2.500 jaar oude confucianisme weer scherp getrokken.

Aan het opgroeiende kind worden geen huishoudelijke eisen gesteld, maar op studiegebied wordt des te meer verwacht. Chinese (groot)-ouders, getraumatiseerd door een leven van oorlog, burgeroorlog en vernietigende communistische strijdcampagnes hebben een overheersende ambitie: van hun kostbare schat, hun enig kind en kleinkind een welvarend prestatie-mens maken.

Niets is hen daarvoor teveel. Er zijn boerinnen die zich krom werken om voor hun keizertje van drie een piano te kopen. Een recent onderzoek in Shanghai wees uit dat 24 procent van de ouders daar een piano voor hun kleuter hadden gekocht voordat die naar school ging. Een groot aantal ouders, ook arbeiders werken over om hun zonnetje al voordat het naar de lagere school gaat, bij een prive-leraar Engels te laten leren. Bovenop het schizofrene mengsel van overmatige liefde en carriere-dwang thuis komt de loodzware last van de school waar kadaver-discipline heerst. Er wordt weinig gedaan aan lichamelijke opvoeding en veel besteed aan kwantitatief leren. Een Chinees stadskind moet op de lagere school minimaal 2.000 Chinese karakters leren, maar ambitieuze ouders zetten het onder druk 4.000 te leren om op de beste middelbare school te komen, die een garantie is voor een van de uiterst schaarse plaatsen op een zogenaamde sleutelpositie-universiteit. Elke dag sjouwen lagere schoolleerlingen zware schooltassen mee naar huis want zij krijgen ten minsten een uur huiswerk mee, niet alleen karakters schrijven, maar vooral wiskunde. Zelfs voor de zomervakantie krijgen zij voor zeven weken huiswerk op. Een moeder die telkens pressiemiddelen moest aanwenden om haar zoon van zeven aan zijn huiswerk te krijgen, vermaande hem dat hij nooit student aan een universiteit zou kunnen worden als hij niet beter zijn best deed. 'Ik wil helemaal geen student worden en dan door soldaten doodgeschoten worden', antwoordde het jongetje.

De combinatie van karakters leren, huiswerk, onvoldoende verlichting en teveel televisie kijken door de eenzaamheid thuis heeft ertoe geleid dat Chinese kinderen in veel grotere getale brilletjes moeten dragen dan hun Westerse leeftijdgenootjes. 'Sjieke' ouders zenden hun kinderen vaak niet naar de buurtschool omdat die niet goed genoeg wordt bevonden, maar naar een 'sleutelpositie-school' ver van huis. Ze moeten daar 's-middags overblijven en de onuitroeibare middagdut, de xiuxi doen op houten britsen in een rij. Een moeder vertelde me dat zij naar de eliteschool werd ontboden en door het schoolhoofd werd vermaand dat haar rusteloze dochter van acht jaar niet stil kon liggen. Haar brits kraakte constant en daardoor werd 'het academische klimaat' op de school verstoord. De moeder wierp tegen dat de kale betonnen vloeren en ongeschilderde grauwe muren ook niet bevorderlijk waren voor het goede klimaat en besloot haar kind tijdens de middagpauze op te halen en in een naburig cafetaria te lunchen. Fu Chongbi, hoofd van de divisie Kinderzorg van de landelijke Vrouwenfederatie erkent dat de kinderen overbelast zijn en dat ook het conformisme en de monotonie kwalijk zijn. 'We trachten dat te hervormen. Voorheen benadrukten wij uniform denken. Nu stimuleren wij diversiteit.'

Hoeveel zal daarvan terechtkomen onder een regime dat sinds 4 juni vorig jaar het volk weer met de meest agressieve, dogmatische propaganda bestookt? Cyril Dalais, kinderpsycholoog verbonden aan het China-bureau van Unicef, het kinderfonds van de Verenigde Naties, ziet een positieve keerzijde aan de strenge discipline op de Chinese scholen: 'De enige kinderen, die geen ervaring in het concurreren met broertjes en zusjes hebben, vinden extra zekerheden in de onwrikbare normen en regels. Als het vrij is weet zo'n kind helemaal niet wat het aanmoet.' Dalais heeft echter diepe twijfels over de grootschalige negatieve repercussies van het een-kind systeem. 'Wat voor volwassenen worden dit en wat voor ouders worden het zelf later?' Verhoging van de kwaliteit van het ouderschap nu is de hoogste prioriteit. Daartoe heeft de nationale vrouwenfederatie in samenwerking met Unicef een nieuw type 'gezinshoofd-scholen' opgericht, die de ouders van de overdreven liefkozing en verering van hun keizer(inne)tje naar een gulden middenweg moeten leiden. Deze scholen, waarvan inmiddels 130.000 bestaan dienen tevens als een soort consultatiebureaus met alarmlijn voor incidentele problemen.

Prof. Lin Chongde, een van China's leidende kinderpsychologen meent dat de libertijnse buitenlanders de nadelen van het een-kind-systeem overdrijven. Zijn onderzoekingen hebben uitgewezen dat enige kinderen in het algemeen meer presteren op school en meer fantasie en creativiteit hebben dan kinderen met broertjes en zusjes. Prof. Lin is er verder van overtuigd dat de traditionele geborgenheid van het Chinese gezin, het relatief lage aantal echtscheidingen en de strikte schooldiscipine waarborgen zijn tegen de typische ontaardingsverschijnselen in 'vrijere' derde wereld-landen, zoals van huis en van school weglopen, de straat op gaan en in de jeugdmisdaad terechtkomen. 'Het een-kind-gezin en de school vormen een magnetisch organisme dat geen desertie toestaat', aldus prof. Lin. De buurtcomites van de communistische partij zijn een extra veiligheidscontrole. En de 'Jonge Pioniers Brigade', de Chinese versie van de padvinderij, waarvan bijna elk kind lid wordt zorgt voor vrijetijds-activiteiten, zoals picknicks en zomerkampen. Partijfunctionarissen noemen al deze grotendeels uit de traditionele Chinese cultuur voortkomende geborgenheden voor kinderen 'de superioriteiten van een socialistisch ontwikkelingsland'. Pogingen om de inferioriteiten verborgen te houden zijn in de loop van de jaren tachtig opgegeven. De meest verontrustende is de enorme kloof tussen stad en platteland, waar de een kind-politiek grotendeels is mislukt.

De belangrijkste reden is dat boerenzonen willen en daarvoor geen boete of list uit de weg gaan. In de allerarmste gebieden zijn gezinnen van vijf, zes kinderen niet uitzonderlijk. Het aantal een kind-gezinnen op het platteland is slechts 13.7 procent. Kwaliteit van leven en onderwijs is zo laag dat 40 procent van de kinderen omstreeks de vierde klas van de lagere school wegloopt en op het land gaat werken. Vaak zoeken zij met instemming van de ouders werk in de kinderarbeid-fabriekjes van de 'open kuststeden', waar een toenemend aantal op straat en in de semi-georganiseerde misdaad terecht komt. Onderzoek naar dit verschijnsel is pas twee jaar geleden begonnen en statistieken zijn er nog niet of worden niet gepubliceerd omdat die in strijd met de 'superioriteit van het socialisme' zijn. 'Chinese plattelandskinderen zijn in toenemende mate verliezers en of de stadskinderen winnaars worden zullen we pas weten als de eerste massale lichting van 1980 een jaar of 17-18 is', zegt Cyril Dalais.

Congcong (Slimmerikje), een enig kind van 17, geboren in de tijd dat het nog niet verplicht was, geeft een opzienbarend beeld van wat voor persoon zij is. Zij zit in de derde van een 'hogere middelbare school' en vertoont geen enkele deformatie als gevolg van haar opgroeien als enig kind, hooguit een onverzadigbare behoefte aan gezelschap. Haar vader is kunstcriticus, haar moeder musicologe. Zij noemen hun dochter gui-nu (boudoirmeisje). Zij speelt prachtig piano en gu-zheng, Chinese harp, waarop zij een klein recital voor mij geeft. Ze babbelt eindeloos tegenover de vreemdeling, die ze meteen oom noemt en geeft op elke vraag antwoorden van een kwartier. Haar vader had overwogen om in het belang van een promotie tot chef-redacteur lid van de communistische partij te worden, maar Slimmerikje had hem tegengehouden: 'Vroeger keek je tegen de communistische partij op, maar nu? Daar wordt je toch geen lid meer van. Ik wil tot de katholieke kerk toetreden en ik hoop dat mijn ouders er zo over denken.'