Aardgas als drug

DE GORDIJNEN MOESTEN dicht, de thermostaatlager gezet en de auto mocht op zondag niet rijden. In een rede voor radio en televisie sprak minister-president Den Uyl dramatische woorden tot het volk: 'Zo bezien komt de wereld van voor de oliecrisis niet meer terug.'

We schrijven eind 1973, de OPEC-landen hadden de prijs van olie in korte tijd verviervoudigd en bovendien Nederland en de Verenigde Staten enige tijd van olieleveranties uitgesloten. De tijd van goedkope energie was definitief voorbij, met alle gevolgen van dien.

De minister-president zei dat ons leven zou veranderen. 'Bepaalde uitzichten vallen daardoor weg, maar ons bestaan hoeft er niet ongelukkiger op te worden', sprak hij. In elk geval werd het bestaan van zijn kabinet er niet ongelukkiger op, zo bleek al snel. Dank zij de koppeling van de prijs van het aardgas aan die van olie stroomden de miljarden binnen. Werd in 1974 nog slechts 4,4 procent van de rijksuitgaven gefinancierd uit het aardgas, een jaar later was dat al opgelopen tot 8,6 procent. De overheid werd slapende rijk, maar was niet gierig: het geld werd ook direct weer uitgegeven. Helaas niet aan produktieve investeringen, maar vooral aan overheidsconsumptie eninkomensoverdrachten.

Als we zijn minister van financien, Duisenberg, moeten geloven, heeft de minister-president zich in die tijd ook wel eens bezorgd getoond over zoveel weelde. Tijdens een van de vele moeizame begrotingsbesprekingen moet hij tegen deze minister gezegd hebben: 'Ik denk wel eens, ik wou voor ons volk dat dat gas nooit gevonden was. Misschien dat we dan eerder en doeltreffender de op ons afkomende problemen te lijf waren gegaan. Misschien ook zouden dan vandaag de dag minder mensen werkloos, ziek of arbeidsongeschikt zijn.'

Wat had Den Uyl het gelijk toen aan zijn kant, en wat hebben hij, zijn kabinet en zijn opvolgers weinig met die wijze woorden gedaan.

DE INKOMSTEN uit het gas bleven toenemen met als hoogtepunt het jaar 1985, toen het 'Slochterense goud' 23 miljard gulden opleverde en daarmee vijftien procent van de inkomstenkant van de begroting uitmaakte. Hoe onzeker deze bron van inkomsten was, bleek korte tijd later toen de olieprijzen op de wereldmarkt in elkaar stortten en ook de dollarkoers in een duikvlucht terechtkwam. Van het ene op het andere jaar leverde het aardgas de Staat nog niet eens de helft op. Ten opzichte van 1973 waren in 1987 de rollen volledig omgedraaid: particuliere rijkdom stond nu tegenover een straatarme overheid.

Maar er was een voordeel: het was het aangewezen moment om te bezien hoe in de toekomst bestuurlijk kon worden omgegaan met deze, zoals de minister van economische zaken het destijds uitdrukte, 'onzekere, eindige en soms scherp fluctuerende inkomstenbron'.

De klap was immers door middel van een fors ombuigingsprogramma in de begroting verwerkt en het dieptepunt in de inkomsten uit het aardgas leek zo'n beetje bereikt. De vraag was in feite: hoe kan worden voorkomen dat een produkt met een zo onzekere prijsfactor als het aardgas weer gaat dienen als financieringsbron voor allerlei structurele begrotingszaken? De Sociaal Economische Raad beantwoordde deze vraag in het voorjaar van 1988. Unaniem spraken vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en kroonleden uit dat de aardgasbaten meer toekomstgericht en dus minder consumptief moesten worden aangewend. Zij wilden definitief afrekenen met de 'Dutch Disease'. De inkomsten uit het gas op dat moment moesten zo'n beetje als minimum worden aangemerkt. Extra inkomsten, in geval de olieprijzen of de dollar weer gingen stijgen, zouden buiten de normale begroting moeten worden gehouden, aldus de SER. Het fluctuerende deel zou dan op termijn kunnen worden gebruikt voor op de toekomst gerichte, produktieve investeringen, maar in de eerstkomende jaren toch vooral voor het verminderen van de staatsschuld. Het regeerakkoord van het eerstvolgende nieuwe kabinet zou 'een passende gelegenheid' zijn om de voorgestelde beleidslijn te introduceren.

DE ONDERHANDELAARS van CDA en PvdA spraken het afgelopen najaar over tal van onderwerpen, maar niet over dit punt. In het regeerakkoord van het kabinet Lubbers/Kok is de beleidsaanbeveling van de SER dan ook helemaal niet terug te vinden. Met als gevolg dat nu het gevaar dreigt dat het aardgas opnieuw zal worden gebruikt als verdovend middel. De crisis in de Golf heeft geleid tot een forse opwaartse druk op de olieprijzen. Waar het uiteindelijk toe leidt, valt nu nog met geen mogelijkheid te zeggen, maar de voorzichtige schattingen van het Centraal Planbureau waarbij wordt uitgegaan van een olieprijs in 1991 van 21,5 dollar leveren minister Kok van financien volgend jaar alvast zo'n 800 miljoen gulden op. Hij heeft zijn collega's in het kabinet laten weten dit geld te willen gebruiken om het financieringstekort, zoals voorgenomen, te verlagen tot 4,75 procent. Een nobel doel, maar die reductie van het tekort was al afgesproken. Wat had Kok gedaan als er geen aardgasmeevaller was geweest, of anders gezegd: wat had hij gedaan als Saddam Hussein zich niet had geroerd? HOGERE ENERGIEPRIJZEN vergen over de hele wereld aanpassingen, dus ook in Nederland. Het nu opnieuw inzetten van onvoorziene aardgasbaten om daarmee ongetwijfeld pijnlijke ombuigingsmaatregelen te ontlopen, zou betekenen dat weer exact dezelfde fout wordt gemaakt als vijftien jaar geleden. De extra inkomsten uit het aardgas kunnen prima worden gebruikt om de inmiddels tot 317 miljard gulden opgelopen, en nog steeds stijgende, staatsschuld versneld af te lossen. Inderdaad, dat is een keuze voor de toekomst in plaats van het bij politici zo geliefde effect op korte termijn. Wie durft?