VS kunnen voor hun burgers in Irak en Koeweit weinig doen

NEW YORK, 17 aug. Wat kunnen de Verenigde Staten doen als Saddam Hussein begint de duizenden Amerikanen in Koeweit en Irak als gijzelaars te gebruiken om de VS tot compromissen te dwingen? 'Het klinkt wreed, maar ik geloof dat we dan maar die Amerikanen moeten opgeven', was het antwoord. Het sprong van de beeldbuis af, niet door zijn originaliteit of diepzinnigheid, maar omdat nog niemand zoiets hardop had durven zeggen.

Het kwam niet uit de mond van Henry Kissinger, of een van de tientallen andere ex-CIA-bazen, ex-Nationale Veiligheidsraad-adviseurs of ex-ministers van buitenlandse zaken die de afgelopen weken over het televisiescherm zijn geparadeerd maar van een journalist, Karen Elliott House, ex-verslaggeefster van de Wall Street Journal en nu een vice president van uitgeverij Dow Jones en Co.

Dat was tekenend voor de timiditeit waarmee het nationale debat over de Amerikaanse interventie hier tot nu toe is gevoerd sinds president Bush de eerste soldaten richting Saoedi-Arabie stuurde. Het is vrijwel onmogelijk om iemand te vinden die kritiek heeft op de massale inzet van het Amerikaanse (professionele) leger; de mogelijke consequenties zijn hier wel te hooi en te gras doorgenomen, maar nauwelijks bekritiseerd; en het lot van de gijzelaars, de meest onmiddellijke consequentie, is al helemaal taboe. Het antwoord is namelijk te schokkend. Zoals Elliott House vervolgde: 'Wat is belangrijker, 2000 gijzelaars of 200 miljoen andere Amerikanen?' Of het beleid van president Bush goed of slecht is doet hier niet ter zake; waar het om gaat is dat in de Amerikaanse media, die altijd ruim plaats heeft voor opinies over buitenlands beleid, deze keer opvallend weinig dissidenten te vinden zijn.

Zelfs op minder gevoelige vragen durft vrijwel niemand een 'onpatriottisch' antwoord te geven. Moeten de defensiebezuinigingen nu maar weer opgegeven worden? Democraten Les Aspin en Sam Nunn, voorzitters van de commissies die over defensie gaan, zeggen te verwachten dat de bezuinigingen minder zwaar zullen uitvallen dan twee weken geleden nog werd verwacht.

Moet Amerika een nieuw energiebeleid invoeren? Die vraag werd vlak na de invasie door enkele politici opgerakeld op een toon van 'ik heb je gewaarschuwd', maar die houden hun mond nu hun kiezers laten blijken alleen maar oog te hebben voor de stijgende benzineprijzen en het vermeende komplot van de oliemaatschappijen.

Moeten de VS nu maar meteen extra wapentuig leveren aan de Arabische landen die tegen Saddam zijn, met het risico dat Israel zijn superioriteit in de regio verliest? 'In deze crisis, zo lang Amerikaanse soldaten in de regio zijn, zal het Congres de president alles geven wat hij denkt dat nodig is om Amerikaanse levens te beschermen', zei Afgevaardigde Mel Levine uit Californie, een van de grootste critici van wapenleveranties aan Arabieren.

Politici, van links tot rechts, staan achter de interventie. Jesse Jackson, waarschijnlijk de meest pacifistische en non-interventionistische politicus van het land, zegt: 'Saoedi-Arabie is belangrijker voor ons dan Grenada een bedreiging was, Koeweit is belangrijker voor ons dan dat Noriega een bedreiging was.'

Ted Weiss, Afgevaardigde voor de Upper West Side van Manhattan, een van de meest progressieve enclaves van het land, zegt: 'Ik heb nooit geaarzeld mij uit te spreken tegen Amerikaanse militaire actie als het illegaal of ongepast was, maar ik steun Amerikaans beleid als het opstaat tegen illegaal of onbehoorlijk gedrag door andere landen.' Het is een oude traditie dat politici zich achter de president scharen tijdens buitenlandse crises.

Nog opvallender is dat ook een groot aantal columnisten over de vraag 'waarom' is heen gestapt en meteen het 'hoe nu verder' bij de kop heeft gevat, met een soms bloeddorstige ondertoon. 'Saddam Hussein is geen Hitler, maar de dynamiek van zijn regime is Hitleriaans. Dat suggereert dat hij alleen met geweld tegengehouden kan worden', schreef conservatieve columnist George Will in de Washington Post. De meer gematigde columnist Jim Hoagland van dezelfde krant schreef: 'Saddam Hussein, die zijn carriere in de geheimzinnige en gewelddadige wereld van Iraakse politici als een jonge schutter begon, heeft de koers van de Arabische en wereldpolitiek veranderd met zijn invasie van Koeweit.' A. M. Rosenthal, de voormalige hoofdredacteur van de New York Times, schreef in zijn gebruikelijke schrille stijl: 'Hussein zal de laatste Heilige Oorlog leiden, als de enige echte moslim-veroveraar, vernietiging schreeuwend tegen de joden en dood tegen alle Arabieren die twijfel tonen aan zijn visie, richting en glorie.' Opinieleiders en politici zitten niet op dezelfde golflengte als de meerderheid van het Amerikaanse volk. Driekwart is voor een boycot, maar slechts tweederde wilde dat Amerikaanse soldaten werden gestuurd, en 36 procent van de vrouwen was ertegen.

De volksmedia zijn overigens nog steeds niet verder gekomen dan gifgas en benzineprijzen. Gisteravond stond een verslaggever van het lokale New Yorkse televisiestation een stand-up te doen in Central Park in de anti-gifgasuitrusting (compleet met gasmasker) van de Amerikaanse soldaat.

Radiopraatprogramma's het moderne equivalent van het dorpsplein organiseerden gisteren in sommige delen van het land boycots van de oliemaatschappijen. 'Een van de schoonheden van de democratie is dat zij altijd lang aarzelt een oorlog te voeren', schreef deze week The New Yorker, altijd liberaal. 'De mensen willen niet graag lijden, willen niet hun zoons zien sneuvelen, en hun tegenzin houdt de overheid terug. Maar vorige week draaide de motor snel vooruit, en de columnisten juichten in plaats van vragen te stellen.' Is het dan toch waar dat we allemaal een nieuwe vijand nodig hebben? Een cartoon toonde vorige week een man die achter de televisie zit en schreeuwt 'Bang! Bang! Nuke Saddam! Verpletter die zandzuiger!' Op de achtergrond zegt zijn vrouw tegen hun dochter: 'Je vader is een baby-boom-progressief, schat. Hij heeft nog nooit een oorlog meegemaakt waar hij achter kon staan.'