'Opleiding tot basisarts niet langer, maar wel efficienter'

ROTTERDAM, 17 aug. De zesjarige opleiding tot basisarts hoeft niet langer te worden als zij maar effectiever wordt ingericht. Vooral het praktisch onderwijs tijdens de co-assistenschappen moet worden verbeterd. Een basisarts moet de bevoegdheid houden zelfstandig de geneeskunst uit te oefenen. Dat zijn de belangrijkste conclusies van het rapport 'Basisarts: bevoegd en bekwaam' dat op verzoek van de minister van onderwijs is geschreven onder leiding van de Nijmeegse hoogleraar kindergeneeskunde dr. G. B. A. Stoelinga.

De aanbevelingen staan tegenover de mening van dr. E. Borst-Eilers, prof. dr. A. Querido en dr. J. A. C. de Kock-van Leeuwen die vorig najaar pleitten voor een tweejarige praktische vervolgopleiding alvorens een arts zelfstandig zou mogen werken. Zij gaven hun opinie ook al op verzoek van de minister van onderwijs en de staatssecretaris van volksgezondheid. De drie adviseurs betwijfelden of basisartsen voldoende kennis en vaardigheden hebben. De tweejarige vervolgopleiding zou afgerond moeten zijn voor een basisarts aan de specialisten- of huisartsopleiding kan beginnen.

De commissie Stoelinga lichtte het onderwijs aan alle medische faculteiten in Nederland door. Het maximale onderwijsrendement wordt volgens de commissie niet gehaald omdat de studenten niet weten aan welke eisen ze moeten voldoen, omdat de kwaliteit van de opleidingen niet wordt gecontroleerd, de stages niet voldoende zijn gestructureerd, en de begeleiding onvoldoende is.

Minister Ritzen zal het rapport bespreken met de universiteiten met een medische opleiding en dit najaar zijn standpunt bepalen.