Isolatiesubsidie past moeilijk in Milieubeleidsplan

Sinds kort bestaat weer de mogelijkheid subsidie aan te vragen voor het isoleren van woningen. Volgens de berichtgeving is de herinvoering van de isolatiesubsidie een maatregel in het kader van het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP). Invoering van deze maatregel voor het gehele Nederlandse woningbestand leidt volgens een betrouwbare schatting, tengevolge van een verhoogde radon-concentratie binnenshuis tot 100 a 150 extra dodelijke longkankergevallen per jaar. Het is dus de vraag of een isolatiesubsidie wel past in het NMP. Het NMP is een ambitieus programma van de overheid om het milieu in Nederland te verbeteren en een bijdrage te leveren aan het in stand houden van een leefbare planeet. In haar doelstellingen stelt de overheid met recht dat bij het nemen van maatregelen om een situatie te verbeteren, de nadelige gevolgen niet op andere sectoren van het milieu mogen worden afgewenteld. Deze les uit het verleden maakt dat zowel de positieve als negatieve gevolgen van maatregelen goed tegen elkaar dienen te worden afgewogen alvorens men tot uitvoering overgaat.

Het milieu kan globaal in twee delen worden ingedeeld: het buitenmilieu en het binnenmilieu. Tot nu toe is de meeste aandacht op het buitenmilieu gericht, zowel nationaal als mondiaal. Zaken als dioxine in melk, zure regen, gaten in de ozonlaag en zeespiegelstijging zijn daar voorbeelden van. Onderwerpen die in het rapport 'Zorgen voor morgen' als de grote verontreinigers voor het binnenmilieu worden aangegeven zijn: NO radon en burenlawaai. Als men aan de hand van het rapport 'Omgaan met risico's' de risico's van de verontreinigingen in het buitenmilieu met die in het binnenmilieu vergelijkt, komt men al snel tot de conclusie dat, wat gezondheidsrisico's betreft, ons binnenhuismilieu er in het algemeen slechter aan toe is dan het buitenmilieu. In Zorgen voor morgen wordt de verwachting uitgesproken dat de situatie voor NO en burenlawaai in de komende jaren sterk zal verbeteren, maar dat voor radon de risico's boven de toegestane grens zullen blijven.

Radioactief gas

Radon is een radioactief gas dat vrijkomt bij het verval van radium dat zich in geringe concentraties in de bodem (zand en klei) bevindt en dus ook in materialen die daar uit vervaardigd zijn. Radon heeft een halveringstijd van bijna vier dagen en vervalt dan naar elementen zoals polonium en lood die, in lucht, zich voor het merendeel aan kleine stofdeeltjes vasthechten: deze vervalprodukten van radon zijn zelf ook weer radioactief.

Wanneer men de stofdeeltjes inademt zetten deze zich in de longen af; de alfa-straling die bij het verval van de aan de stofdeeltjes vastgehechte radioactieve stoffen wordt uitgezonden, beschadigt het longweefsel waardoor longkanker kan ontstaan. Het risico voor het ontstaan van longkanker is voor een gezonde long kleiner dan voor een long aangetast door bijvoorbeeld sigaretterook.

Men schat dat in Nederland radon per jaar 500 tot 800 dodelijke gevallen van longkanker veroorzaakt; dit is 5 a 10 procent van het totaal aantal longkankergevallen in Nederland. Het aantal 'longkanker-doden' ten gevolge van radon is dus eenderde tot de helft van het aantal verkeersslachtoffers in ons land. In een recent artikel in het vooraanstaande Britse medisch tijdschrift The Lancet wordt ook een correlatie geconstateerd tussen radonconcentratie en andere vormen van kanker zoals leukemie en prostaatkanker.

De belangrijkste factoren die de hoogte van de radonconcentratie in woningen bepalen zijn: de toevoer uit bodem en bouwmaterialen en de afvoer door ventilatie met 'schone' buitenlucht. Voor Nederland kan globaal gesteld worden dat de gemiddelde radonconcentratie in de buitenlucht, de woonkamer, de kruipruimte en de bodem, respectievelijk 3, 30, 300, en 30000 Bq/m bedraagt. Uit deze waarden blijkt dat de bodem de belangrijkste bron van radon is voor woningen. Met luchtstromen, ten gevolge van drukverschillen die in een woning optreden, wordt radon uit de bodem via kruipruimten of leidingschachten naar hoger gelegen verdiepingen verplaatst. Vandaar dat ook in flatgebouwen soms hoge concentraties worden gemeten.

Drukverschil

In het algemeen heeft isolatie van woningen tot gevolg dat de ventilatie van de woning minder wordt en dat de bijdrage van de buitenlucht aan de lucht in de woning verhoudingsgewijs vermindert. Verder stijgt ook het drukverschil tussen woning en buitenlucht (schoorsteeneffect) en wordt de luchttoevoer via de ruimte onder de woning groter. Dit proces verklaart vaak ook de vochtproblemen die zich in geisoleerde woningen voordoen.

Uit een door ons uitgevoerd landelijk onderzoek blijkt dat de radonconcentratie in woningen met spouwmuurisolatie en dubbelglas zo'n 25 procent hoger is dan in woningen met enkel glas, zonder spouwmuurisolatie. Verder blijkt dat in woningen die na 1970 (luchtdichter in verband met energiebesparing) zijn gebouwd, de radonconcentratie gemiddeld 30 procent hoger is dan in woningen die in de jaren daarvoor zijn gebouwd; dit geldt voor zowel woningen zonder als voor die met isolatie. Verder bleek dat het ventilatiegedrag van bewoners geen invloed heeft op de radonconcentratie. Dit laatste is ook niet zo verwonderlijk, omdat de meeste mensen de neiging hebben ramen en deuren aan de lijzijde te openen; daardoor wordt de onderdruk van de woning ten opzichte van de bodem groter en wordt nog meer radon aangevoerd.

We weten nu uit onderzoek dat isolatie van woningen net als verlaging van grondwaterstanden een verhoogde radonconcentratie binnenshuis teweegbrengt, waardoor de kans op longkanker wordt vergroot. Voor de meeste woningen is het wel mogelijk de radonconcentratie te verlagen. De effectiviteit van de maatregelen is echter, voor zover we nu weten, niet zonder meer aan te geven en is afhankelijk van de eigenschappen van woning en bodem.

Bij de isolatiesubsidie-regeling had men, om aan de doelstellingen van het NMP te voldoen, op zijn minst voor de neveneffecten moeten waarschuwen en tevens subsidie moeten toekennen voor radonmetingen en, bij gebleken hoge concentraties, voor het nemen van tegenmaatregelen.