Hoog op de gele wagen

De Spoorwegen doen er alles aan om Nederlanders, mits zij gebruik maken van de trein, een boeiende dag te bezorgen. Een gids van 256 bladzijden vermeldt uitstapjes naar musea en pretparken, mini-cruises op de Noordzee en shopping-routes langs luxe winkels, maar ook een keur van lichamelijk veeleisender activiteiten. Klanten van de NS krijgen bij voorbeeld de kans paard te rijden in Markelo, kloot te schieten bij Beuningen en per waterfiets, kano, kajak of surfplank te genieten van de natuur bij Giethoorn.

Voor sommige excursies moet men ook in geestelijk opzicht tegen een stootje kunnen. Nog voor het vertrekpunt is bereikt van dagtocht 50, een bezoek aan boerderij 't Hoge, maakt de conducteur van de trein dat al subtiel duidelijk. Zodra hij de buitenmodel kaartjes van de dagtocht ziet, slaat hij de toon aan van een verpleger die zijn patienten positief benadert. 's Kijken wat we vandaag allemaal gaan doen', zegt hij, terwijl de andere passagiers meeluisteren. Dan leest hij de op de kaartjes verstrekte informatie voor: 'Koffie met koek, een picknick in het bos en dan nog een barbecue. Nou, ik wens u een prettige dag toe.'

In de stilte die valt na zijn vertrek is er even een gevoel van twijfel: zou het misschien toch beter zijn geweest dagtocht 51 te nemen, een rondgang door paleis 't Loo (een Huis van Oranje)? Een tweede test volgt na aankomst in Nunspeet. De ruim dertig NS-recreanten nemen plaats in een met paarden bespannen Jan Plezier waarin zij, gezien de naam van het voertuig, door voorbijgangers vrolijk worden toegezwaaid. Ieder staat dan voor de keus of hij keer op keer terugwuift dan wel lafhartig de andere kant opkijkt. De beslissing hierover is bepalend voor het verdere verloop van die dag: wie kiest voor het eerste geeft te kennen geen zuurpruim te zijn en het spel, zolang het duurt, mee te willen spelen.

In de praktijk betekent dit zich schikken naar de excursieleider, een ware volksmenner met Gelderse tongval die de NS in zijn gids simpelweg aanduidt als 'de boer'. Tijdens de koffie op een open plek in het bos constateert hij al meteen dat de deelnemers deze dag 'pretgezichten' hebben, reden waarom het als vanzelf een 'knalfeest' zal worden. Als we op een tweede pleisterplaats zijn gestopt voor de picknick, strooit hij niettemin kwistig met kwinkslagen die de stemming erin moeten houden. Sommige grappen betreffen zijn zoon, die mee is om de paarden te verzorgen en er bedremmeld bij staat als zijn vader, lachend naar de dames, hem meer dan eens 'in de aanbieding' doet.

De aanpak heeft succes. Wanneer de Jan Plezier zijn weg vervolgt door de bossen waar eens volgens mevrouw Van Osselen-Van Delden het Jodinnetje van Elspeet in een woonwagen huisde, toont het gezelschap zich spraakzamer dan eerst. Hoog op de gele wagen beperken de inzittenden zich tot drie gespreksthema's: Nederland is toch ook mooi (al moet je het weer mee hebben); dit soort tochten voert langs plekjes waar je anders nooit komt; buiten wonen is toch wel heerlijk (al kan het weer, vooral op de winterdag, een spelbreker zijn). Nog voor dit alles is afgehandeld, arriveren we op boerderij 't Hoge, in de polders boven Nunspeet. Een zwijgzame broer van de boer schrobt de paarden af, in de stal staat een inmiddels alweer gedekte merrie met haar veulen dat, als het later groot is, zelf een dekhengst mag worden en om ons heen pikken Barnevelders in het zand. Intussen maken we kennis met Blits, een vervaarlijke bouvier die, zo stelt de boer gerust, overdag lief is, maar er na zonsondergang niet tegenop ziet in vriend en vijand zijn tanden te zetten. 'Een echte karakterhond', prijst de baas. Als 'een gluiperd' kwalificeert hij echter een Duitse herder, die in afwachting van een nieuwe eigenaar zijn dagen slijt in een kaal hok.

Op nog wat andere paarden en poezen na heeft het erf verder weinig te bieden. Alles wat een stadsbewoner op een Nederlandse boerderij verwacht aan te treffen ontbreekt: er zijn geen schuren met bestrijdingsmiddelen, geen loodsen waarin vetgemeste varkens, kalveren of kippen opeengepakt staan zonder zich te kunnen bewegen en er is niets te merken van het mestoverschot waarmee Nederland zichzelf onderscheidt. Zelfs een gierkar zal men op 't Hoge vruchteloos zoeken.

Maar de boer wil wel wat vertellen over de landbouw en het milieu. Het probleem is, zegt hij, dat boeren die vroeger tien koeien hielden nu zestig beesten op hetzelfde stukje land laten lopen. En al die mest moet toch ergens heen, dus spuiten ze het soms maar in de grond. Een boer in Uddel deed het makkelijker, die gooide het gewoon in de beek. In het dorp waren ze daar zo kwaad over dat ze hem de kerk uit joegen, maar toen begon hij op zijn erf een eigen kerk. 'Nu is Hendrik toch te ver gegaan', zeiden ze toen. Maar denk niet dat het alleen bij de boeren fout gaat; aan de bossen hier, bij voorbeeld, besteden ze tegenwoordig haast geen zorg meer, zodat de dennenscheerder met al die omgewaaide bomen zijn gang kan gaan. 'Weet u wat het is, we hebben het allemaal te goed', stelt de boer vast. 'Ik zelf ook vroeger had ik een fiets, nu rijd ik in een Mercedes. Erg is dat niet, alleen mogen we de natuur niet vergeten.'

Maar zolang een beetje geld verdienen de hoofdzaak blijft, wordt het hem soms bang te moede. 'Ergens in de mens zit een beest', weet hij.

Maar voor dit soort sombere overpeinzingen zijn we niet een dagje naar de Veluwe gekomen, vindt ook de boer. Het is nu tijd voor de oude volkssport ringsteken, laat hij weten. Een voor een stappen we bij zijn zoon in de buggy, vanwaar de stok al rijdende door drie aan palen bevestigde ringen moet worden gestoken. Een onmogelijke opgave, maar op een dag als deze is de mens in staat tot onvermoede prestaties. Toch leg ik het, nadat ik 28 anderen achter me heb gelaten, in de hitte van de middag af tegen een meisje van de kappersschool: 'Eerlijk is eerlijk', zegt de boer. Dan kondigt hij het volgende programmapunt aan, want de tijd moet vol. 'We gaan ballonnen schieten', klinkt het, maar als de eersten aanleggen, verwijderen we ons ongemerkt over de oude zeeweg die de landerijen doorsnijdt.

Na enig zoeken vinden we de boerderij van Julia waar een van ons, tijdens een vakantie in de zomer van 1943 met koorts in bed, een vogel 'distributie, distributie' hoorde zingen. Lopend door de bijna onveranderde moestuin is de herinnering aan dit zoete oorlogslied, dat niemand anders toen opviel, levendiger dan ooit. Maar de grote bio-loodsen die, aan de andere kant van de hoeve, in de plaats kwamen van de pomp en de houten schuren wekken andere associaties. Net als de bungalows met hun zonne-terrassen daar in de buurt getuigen ze van de welvaart, die 47 jaar later ook hier het leven bepaalt.

Wanneer we na een uur zijn teruggekeerd op 't Hoge is het tijd voor de barbecue. Terwijl de zon nog hoog aan de hemel staat, eten we kip, salades en forse karbonades, die de boer om onduidelijke redenen aanprijst als schilderijen. 'Mensen, neem nog wat, er is genoeg', roept hij keer op keer. Als alles bijna op is, krijgt het meisje van de kappersschool tot besluit van de festiviteiten haar prijs: een levend konijn in een kartonnen doos. 'Die eten we met Kerstmis', zegt een van haar vrienden.

Als we even later in de Jan Plezier op weg gaan naar het station, nemen we de kortste route. Het is op straat nu zo stil, dat we niet meer hoeven te wuiven.