Energieverbruik en nageslacht, enkele aanvullingen

In NRC Handelsblad van 22 juni heb ik gepleit voor zuinigheid met energie ten behoeve van de generaties van kinderen, klein- en achterkleinkinderen, wier levensstandaard wij niet in gevaar zouden willen brengen. Mijn bedoeling was de aandacht te vestigen op dit aspect van een 'duurzame' ontwikkeling, tegenwoordig graag in het Engels als 'sustainability' aangeduid.

De kern van het vraagstuk is, of de mensheid met behulp van een beperkte ('eindige') hoeveelheid hulpmiddelen een oneindige hoeveelheid generaties redelijk verzorgen kan. De eenvoudigste vorm waarin we dat vraagstuk kunnen bestuderen, gaat uit van een gestabiliseerde bevolkingsomvang en een stabiel gemiddeld levenspeil (voor de hele wereld; over de verdeling praten we hier niet). Het antwoord is: die oneindige hoeveelheid generaties kan inderdaad een vast gemiddeld bestaanspeil worden gelaten, als er maar een voortdurende technische ontwikkeling blijft bestaan. Is die bijvoorbeeld zo dat elk jaar 2 procent minder hulpstof nodig is, dus 0,98 maal de hoeveelheid van het vorig jaar, om een gegeven (constante) hoeveelheid produkt te vervaardigen, dan is in totaal een eindige hoeveelheid hulpmiddel (50 maal het huidige verbruik) voldoende. Een succesvolle politiek moet dan wel aan drie voorwaarden voldoen: stabiele bevolking, stabiele totale consumptie en een stabiele technische ontwikkeling.

Het is ook anders denkbaar, maar dat is meestal moeilijker.

Twijfel

Wat de laatste voorwaarde betreft: mevrouw H. M. Kooij heeft in een mij toegezonden brief haar twijfel tot uitdrukking gebracht over de constante verhoging van de produktiviteit. Zij haalt enige gevallen van het tegendeel aan. Twee redenen hebben mij tot mijn onderstelling gebracht: over de volkshuishouding als geheel is door empirisch onderzoek toch een hoge mate van stabiliteit van de technische vooruitgang vastgesteld. Daar wij de toekomst niet kennen, is de voor de hand liggende onderstelling daarom die stabiliteit. Hadden wij ook andere regelmatigheden ontdekt, dan zouden wij die hebben moeten gebruiken.

Is er de laatste tijd enige achteruitgang in de technische ontwikkeling geweest, dan kunnen we van minder dan 2 procent uitgaan; maar we behoeven niet veel verder te gaan, wegens onze ervaring op lange termijn. Bij een een procent jaarlijkse vermindering van de hoeveelheid hulpmiddel zou de noodzakelijke voorraad wel honderd maal ons verbruik moeten zijn. Of, andersom gezegd, zouden wij wel ons verbruik moeten beperken tot een-honderdste van de bekende reserve.

Overigens vermeldde ik in mijn artikel wel dat er voor energie in het recente verleden een cijfer was vastgesteld dat maar weinig verschilde van het verwachte cijfer in een toekomstig tiental jaren: 0,9844 tegenover 0,9822, een verschil van 1,1 promille naar beide zijden.

Mijn artikel werd ontsierd door in plaats van een als waargenomen aangeduid cijfer over het feitelijke energieverbruik, er een te geven dat alleen op olie betrekking heeft. In een brief verschenen in deze krant op 27 juli heb ik een rectificatie aangeboden. Daarbij bleek intussen dat op het ogenblik noch voor energie in totaal, noch voor olie het verbruik te hoog was om ons nageslacht te verzorgen. Zuinigheid met olie is (nog) niet nodig!

Niet nauwkeurig

Het onderzoek is hiermee niet geeindigd. In dit tweede artikel worden twee aanvullingen aangeboden. De eerste is dat de mensheid wel te veel steenkool en te veel aardgas verbruikt. De cijfers over deze twee vormen van energie zijn in de geraadpleegde bronnen niet nauwkeurig en behoeven aanvulling. De orde van grootte van de relevante cijfers is de volgende. Het toegestane verbruik van steenkool is ongeveer 1/500 (2 promille) en het feitelijke verbruik ongeveer 1/250 (4 promille), dus ongeveer het dubbele. Er zouden wel zeer grote fouten in de geraadpleegde cijfers moeten steken om de conclusie te betwijfelen dat er te veel steenkool wordt verbruikt. Bij aardgas is het verschil nog meer uitgesproken. De toegestane consumptie is van de orde van een-duizendste en de feitelijke een-vijftigste tot een-honderdste.

De tweede aanvulling gaat over het vraagstuk, of de mensheid nog moet doorgaan met de uitbreiding van de wereldproduktie en -consumptie, dan wel rekening moet houden met de beperking, die de begrensde hoeveelheid natuurlijke hulpbronnen ons stelt. Een beperkte hoeveelheid olie bijvoorbeeld heeft als gevolg dat, ook met de beste techniek waarover wij thans beschikken, een toch maar eindige hoeveelheid produkten kan worden vervaardigd. Zolang wij geen nieuwe informatie hebben, moeten wij ons verbruik daardoor laten bepalen en, in de terminologie van mijn eerste artikel, dat gebruik niet hoger kiezen dan de 'toegestane hoeveelheid'. Twee andere activiteiten moeten niet beperkt worden: onderzoek naar mogelijk betere technieken bij het gebruiken van olie ter produktie van goederen en diensten (dus nationaal produkt); en verdere exploratie. Dit geldt ook voor de andere vormen van energie.

Bij de hierboven bepleite beperkte consumptie van olie (of andere natuurlijke hulpbronnen) behoeft men zich niet te laten leiden door de aanwezige bewezen reserves; als men de gebruikte getallen durft te extrapoleren, kan men die extrapolatie, op verantwoordelijkheid van de 'extrapoleerders', desnoods als grondslag van de berekeningen kiezen. In mijn betoog neem ik het zekere voor het onzekere en geloof ik alleen in werkelijk bewezen reserve. Als de daarbij behorende 'toegestane consumptie' is bereikt, is het veiliger geen verdere expansie van het mondiale produkt na te streven. Doet men dat toch, dan bestaat de mogelijkheid dat wij voor ons nageslacht minder nalaten dan het nodig heeft om ons levenspeil te blijven genieten. Bovendien zullen de burgers uit de ontwikkelingslanden hun aandeel in het wereldprodukt komen opeisen. Tenslotte is er nog de zorg voor het milieu dat zijn eisen stelt in ons eigen belang.

Omslag

Het volgende scenario doet zich nu voor. Zolang het feitelijk gebruik van hulpmiddelen de toegestane hoeveelheid niet overtreft, kan expansie van de wereldproduktie van goederen en diensten worden nagestreefd. Dit wordt bijvoorbeeld door de commissie-Brundtland voorgesteld. Als de feitelijke produktie van hulpmiddelen gelijk is geworden aan de toegestane hoeveelheid, heeft een omslag plaats. Daarna wordt het feitelijke verbruik groter dan het toegestane. Van dat moment af is een expansie van het wereldprodukt niet verantwoord. Want dan komen de vertegenwoordigers van ons nageslacht en van de Derde wereld hun eisen stellen.

Dit scenario geldt bij constante techniek. Daar de techniek zich ontwikkelt, is de werkelijkheid een cumulatie van scenario's voor opeenvolgende technieken. Opnieuw kan enig nieuw kwantitatief onderzoek ons verder helpen. Wij kunnen het tijdstip bepalen waarop de feitelijke consumptie aan de toegestane gelijk wordt. Een verkenning, waarbij enige alternatieve berekeningen tot uiteenlopende resultaten leidden over het jaar waarin het totale energieverbruik en het toegestane verbruik gelijk zouden zijn, maakt een dieper gaand onderzoek nodig. Daarin zal zowel het totale energieverbruik als dat van drie componenten (olie, steenkool en aardgas) onderzocht worden; de verwachting is dat totale energie en olie nog voor, en steenkool en aardgas na het omslagpunt verkeren.