'Als vader maar tevreden is' in Indonesie

JAKARTA, 17 aug. Jalan Proklamasi nr. 56 in Jakarta is het woonhuis van een Japanse marineofficier die tijdens de oorlog sympathiseerde met de Indonesische nationalisten. Op 17 augustus 1945 proclameerden Soekarno en Mohamad Hatta Nederlands Indie was nog bezet door de Japanners in dit huis de onafhankelijkheid.

De datum is even wennen voor de Nederlanders die uitgaan van hun eigen postkoloniale tijdrekening en de soevereiniteitsoverdracht van december 1949 beschouwen als de geboorte van het onafhankelijke Indonesie. Tussen die twee data in liggen vier jaar van gewapende strijd, door Nederland 'politionele acties' genoemd, voor Indonesie was het 'de Onafhankelijkheidsoorlog'. De verjaardag van de Republiek krijgt dit jaar bijzondere aandacht omdat het ook 25 jaar geleden is dat het leger president Soekarno op een zijspoor zette en een einde maakte aan diens Oude Orde. Ter gelegenheid van Hari Kemerdekaan (Onafhankelijkheidsdag) staan velen stil bij de zon- en schaduwzijden van Soeharto's Nieuwe Orde.

Bung Karno mag dan twintig jaar na zijn dood nog steeds op veel respect en genegenheid kunnen rekenen in Indonesie, de meest gehoorde reactie op vragen naar die tijd is: 'Dat nooit meer'.

De een herinnert zich de chaotische situatie van de jaren vijftig, toen Indonesie dreigde uiteen te vallen in elkaar bestrijdende republieken en republiekjes. De ander ziet nog voor zich hoe in de jaren zestig vrachtwagens in Jakarta de lijken ophaalden van op straat verhongerde mensen. En die tijd is voorbij: de Nieuwe Orde heeft stabiliteit en welvaart gebracht, twee verworvenheden die de meeste Indonesiers niet graag op het spel zetten.

Voor stabiliteit en welvaart is de afgelopen 25 jaar een prijs betaald in de vorm van bevoogding en sociale ongelijkheid. Wie met Nederlandse ogen naar het Indonesie van de Nieuwe Orde kijkt, ziet een soort grote padvindersorganisatie: veel uniformen, van brigade-generaals tot parkeerwachters, een grote nadruk op discipline en een hierarchisch opgebouwde maatschappij met aan het hoofd een strenge, maar welwillende hopman. Het leger speelt een belangrijke rol in Indonesie en de politieke cultuur is uitgesproken paternalistisch. De Strijdkrachten van de Republiek Indonesie (ABRI) beschouwen zichzelf als de redders van het vaderland; ze voorkwamen in 1965 dat de doerakken (durhaka = rebel) van de PKI de harmonie der dingen verstoorden. Aan die historische rol ontlenen zij het recht om niet alleen zorg te dragen voor de landsverdediging, maar zich ook op te werpen als bestuurders en managers. Deze dwifungsi (dubbelrol) is een centraal leerstuk van de Nieuwe Orde, waaraan niet valt te tornen. Toch is er sprake van een geleidelijke demilitarisering van het openbare bestuur. De civiele ambities van jonge officieren zijn niet zo groot en er is een toenemende druk van afgestudeerden die, beducht voor werkloosheid, een baan bij de overheid zoeken. En zo hoort het ook, vindt dr. Juwono Sudarsono, decaan van de faculteit voor sociale en politieke wetenschappen van de Universitas Indonesia: 'De afgelopen 25 jaar heeft het leger de leidende rol gespeeld. De komende kwart eeuw moet Indonesie nieuwe instellingen in het leven roepen voor de politiek, de economie en de maatschappij als geheel.' President Soeharto belichaamt al jaren de opperste politieke wijsheid. Asal Bapak Senang luidt de Indonesische karakteristiek van dit politieke paternalisme: als vader maar tevreden is. De president neemt niet alleen de belangrijkste beslissingen, hij bepaalt ook de politieke en mediamieke agenda. Als hij een probleem aansnijdt, staat de deur open voor een publiek debat, of dat nu gaat over mensenrechten of over de dreigende sociale kloof. Zijn persoonlijk leiderschap staat sinds enige tijd ter discussie, niet in de laatste plaats binnen de ABRI. Edi Sudrajat, chef-staf van de landstrijdkrachten en lid van het machtige militaire driemanschap, zei onlangs dat de beter opgeleide Indonesiers af willen van 'de stampvoetende vader-weet-het-beter stijl van leiding geven'. Dat was een niet mis te verstane wenk aan het staatshoofd om zich wel tweemaal te bedenken voor hij in 1993 een nieuwe ambtstermijn aanvaardt.

De politieke stabiliteit van Indonesie heeft in aanzienlijke mate bijgedragen aan de economische successen van de laatste jaren. Terwijl de buitenlandse investeerders wegtrekken uit de door couppogingen geteisterde Filippijnen, staan zij in de rij om aan de slag te gaan in Indonesie.

Als gevolg van de economische ontwikkeling verandert het aanzien van Indonesie snel. Waar vorig jaar nog karbouwen door het rijstveld zwoegden, ligt nu een gloednieuw industrieterrein. Stedelijke jongeren verliezen het contact met de traditionele desa-samenleving en orienteren zich op de dynamische wereld van de bioscoopreclames. De psycholoog Sartono Mukadis onderscheidt in het Indonesie van vandaag drie generaties: de 'generatie van '45', die tegen de Nederlanders streed en de grondslagen legde van de Republiek en tot heden in leger en staatsapparaat de hoogste posities inneemt; de 'generatie van de Oude Orde', die opgroeide in de chaotische, armoedige jaren vijftig en zich orienteerde op de nationalistische idealen van de ouders, en de 'generatie van de Nieuwe Orde', grootgewordentijdens een periode van relatieve welvaart, een generatie zonder duidelijke wortels of tradities. De generatie van '45 maakt zich daar zorgen over de jeugd. Een van de machtigste mannen van het land, minister van defensie en nationale veiligheid Benny Murdani, kiest voor een typisch paternalistische aanpak van de normloosheid en is overtuigd van de maakbaarheid van de nieuwe Indonesische identiteit. De generaal vestigt zijn hoop op 'een intensieve opvoeding in de geest van de Pancasila', Indonesies staatsfilosofie, een combinatie van geloof, nationalistisch vuur en sociaal besef, die de grondleggers van de Republiek bezielde. De Nieuwe Orde heeft deze in wezen open en tolerante filosofie tot staatsideologie verheven, waarnaast geen andere ideologieen worden geduld.

De staatscommissie BP-7, die sinds 1978 er op toeziet dat alle burgers Pancasila-cursussen volgen, rapporteert regelmatig over de vorderingen van het opvoedingswerk. Volgens commissievoorzitter Oetojo Oesman beschikken inmiddels 74 miljoen van de 180 miljoen Indonesiers over 'adequate kennis' van de Pancasila. Hij geeft toe dat het programma in de grote steden minder aanslaat dan op het platteland, maar ontkent dat de Indonesiers de buik vol hebben van de staatspropaganda. Intussen maakt het volk de verplichte figuren. Teenagers dreunen hun Pancasila-lesje op, denkend aan een hapje in de Kentucky Fried Chicken. De Nieuwe Orde en de Pancasila zijn beide aan vernieuwing toe, willen ze de jaren negentig overleven. Dat erkent ook Soeharto. Of de legertop hem de kans geeft om hieraan ook na 1993 leiding te geven is de vraag.